Absolutie mits het buiten regent; Reviaanse brieven van Andreas Sinakowski

Andreas Sinakowski: Het wit in het oog van de tijger. Vert. Gerrit Bussink. Uitg. Nijgh & Van Ditmar. Prijs ƒ 32,50.

Het noodlot van de Duitse schrijver Andreas Sinakowski (1960) is dat hij zijn bekendheid voor een groot deel aan buiten-literaire factoren te danken heeft. Twee jaar geleden dook zijn naam in Nederland op omdat hij één van de eerste schrijvers was die na de ineenstorting van de Berlijnse muur uitkwam voor zijn informatiewerk in dienst van de Stasi. Daarna werd hij bekend door zijn luidruchtig verzet tegen tv-presentator Adriaan van Dis. Van Dis had de schrijver ter verantwoording willen roepen voor zijn Stasi-werkzaamheden, en Sinakowski moest daar absoluut niets van hebben. In zijn boek Na een lang en rokend zwijgen, gebaseerd op interviews, had hij net de worsteling laten zien die hij had moeten voeren om met zijn verleden te kunnen leven. Hij wilde daarmee niet weer lastig gevallen worden.

En nu dreigt Sinakowski dan bekendheid te krijgen als één van de nieuwe correspondenten van Gerard Reve. Na de uitzending van Van Dis, zo hebben we kunnen lezen, heeft de gearriveerde Nederlandse schrijver een boek met opdracht bij de Duitse debutant laten bezorgen, omdat hij in de verwarde, recalcitrante jongeman veel van zichzelf zou hebben herkend. Op deze gift is een hevige correspondentie gevolgd van meer dan een jaar, waarvan het Duitse aandeel nu, vertaald en wel, in boekvorm is gegoten: Het wit in het oog van de tijger - Brieven aan Gerard Reve.

Dat er tussen de beide schrijvers verwantschap bestaat, is niet te loochenen. Het werk dat Reve kort na het verschijnen van De Avonden schreef, heeft dezelfde gejaagdheid als Sinakowski's debuut Na een lang en rokend zwijgen van vorig jaar. Net als Sinakowski was Reve omstreeks zijn dertigste ten prooi aan een innerlijke verscheurdheid die zijn schrijverschap heeft getekend. Ook hij worstelde met zijn homoseksualiteit en hij was ook naarstig op zoek naar een alternatief voor het communisme waarin hij was opgevoed. Een overmaat aan emoties en een gebrek aan middelen om daaraan uiting te geven, dat heeft kennelijk een band geschapen.

Het curieuze is dat beide schrijvers een uitweg uit hun impasse hebben gevonden door middel van brieven. Zoals Reve in de jaren zestig en zeventig in zijn befaamde Tirade-brieven zijn obsessies fragmentarisch en tastend onder woorden begon te brengen, zo doorbreekt nu ook Sinakowski zijn isolement met brieven. Daarbij is het aardig te weten dat de brieven weer aan Gerard Reve gericht zijn, maar nodig is dat niet. Wát geschreven wordt is belangrijker dan aan wie.

Timide

In Het wit in het oog van de tijger wisselen de onderwerpen en stijlen elkaar snel af. Sinakowski beschrijft in de 24 brieven (en briefkaarten) van zijn boek zijn belevenissen van de afgelopen anderhalf jaar in Amsterdam, Antwerpen en Berlijn, hij becommentarieert collega's, critici en uitgevers, maar hij probeert ook in essayistische en verhalende stukken onder woorden te brengen waar het hem om te doen is. In het begin is Sinakowski duidelijk nogal timide. Hij is diep onder de indruk van de plotselinge aandacht die hij uit Nederland krijgt en begint meteen vlijtig het werk van Reve te lezen. Daarna worden de eerste invloeden van Reve zichtbaar, ten goede èn ten kwade. De ironie begint vat op te krijgen op Sinakowski, zijn vorm wordt vaster, en de noodzaak om alles kris kras aan het papier toe te vertrouwen neemt af.

Typisch Reviaans is bijvoorbeeld het spotten met een joodse achtergrond, het spelen met sterrenbeelden en de wilde fantasieën: 'In een supergeheime, door het Vaticaan tegengehouden tekst, die ik kreeg toegespeeld door een bekende prostituée uit Jeruzalem, heb ik gelezen dat joden, een maand voor hun verjaardag, op de sabbat een katholieke vriend absolutie mogen geven (mits het buiten regent). Van die gelegenheid gaan we gebruik maken...'

De laatste vijftig bladzijden, die naar mijn idee het beste deel van het boek vormen, bevatten een aantal reële of verzonnen ervaringen in Berlijn die Sinakowski's thematiek goed zichtbaar maken. Hij verwoordt het verzet van de eenling tegen de overgeordende, burgerlijke maatschappij en houdt een pleidooi voor het tonen van emoties.

Dit slot maakt duidelijk waarom Sinakowski zich steeds zo afzet tegen jonge schrijvers die over technische capaciteiten beschikken maar nog nooit iets hebben meegemaakt. Ze hebben, schrijft hij, niets wat 'een stempel op hen drukte, hen door elkaar schudde, wurgde, iets wat hen één enkele keer zonder enige uitweg voor het alternatief leven of dood heeft geplaatst.'

Het aantrekkelijke van Het wit in het oog van de tijger is dat het een op zichzelf niet nieuw verzet tegen de ongevoeligheid en de betekenisloosheid weet te koppelen aan de publieke persoonlijkheid van de schrijver. Sinakowski's Stasi-werkzaamheden, zijn optreden bij Van Dis, zijn contacten met Reve, zijn bezoek aan zijn uitgever, het wordt allemaal voorzien van heftige commentaren, meningen en verlangens. En dat werkt. Ik kan het niet ontkennen, Het wit in het oog van de tijger is een boek dat me nu al dagen achtervolgt.