Vruchtwaterpuncties

Toepassing van een bepaalde vorm van echografie zal kunnen leiden tot een 'aanzienlijke afname van het aantal vruchtwaterpuncties, met de daaraan klevende bezwaren'', zoals W&O stelt in de bespreking van het proefschrift van dr. R.J.M. Snijders d.d. 11 november 1993. Een mooi onderzoek, dat waardering verdient, en afname van het aantal (onnodige) vruchtwaterpuncties is een nastrevenswaardig doel. Toch zijn enkele opmerkingen hier op hun plaats.

Het betreft hier een screening, dat wil zeggen dat daarmee een gedeelte van de bevolking (in dit geval van de zwangeren) wordt geselecteerd dat een verhoogde kans heeft op een afwijking. Daar tegenover staat diagnose, dit is het vaststellen van een afwijking, in dit geval alleen door vruchtwaterpunctie of vlokkentest. Gescreend wordt er tot dusverre meestal met behulp van de leeftijd van de moeder - alle vrouwen ouder dan 35 jaar komen voor prenatale diagnostiek in aanmerking.

Dat op die manier maximaal 20 tot 30% van de chromosoomafwijkingen kan worden gevonden is waar, maar dat er dus behoefte bestaat aan aanvullende screeningsmethoden gaat mijns inziens te ver. Niet de daling van het aantal pasgeborenen met een chromosoomafwijking is het doel van diagnostiek, maar het vaststellen van het al of niet aanwezig zijn van een afwijking bij een zwangere met een verhoogde kans daarop. Met het bloed- en wellicht ook met het echo-onderzoek is het beter mogelijk vast te stellen wie er zo'n verhoogde kans hééft, vervolgens kan de prenatale diagnostiek gerichter worden toegepast.

Voorzichtigheid is mijns inziens geboden met betrekking tot de algemene toepasbaarheid van deze echo-screening in de Nederlandse situatie. Het onderzoek werd verricht in Engeland, een land dat een geheel andere verloskundige zorg kent dan Nederland. In ons land wordt meer dan 55% van alle zwangeren begeleid door de zogenoemde 'eerste lijn', dit zijn de verloskundigen en huisartsen, een gegeven dat als een groot goed wordt beschouwd en ik denk dat de eerste lijn niet enthousiast is grote aantallen zwangeren voor een min of meer uitgebreid echo-onderzoek te verwijzen. Zou dat wel worden gedaan dan worden er bovendien hoge eisen gesteld aan de capaciteit en (de controle van) de kwaliteit van echoafdelingen.

De opmerking dat zwangeren na het ontdekken van een zichtbare afwijking bij de foetus 'minder moeite hebben'' om voor een vruchtwaterpunctie te kiezen zal ongetwijfeld waar zijn, maar lijkt mij een eufemisme - 'zich sneller gedwongen zullen voelen'' is hier meer op zijn plaats. Daarbij dient bedacht te worden dat foetussen die 3 of meer millimeter vloeistof onder de huid van de nek hebben, weliswaar een aanzienlijk grotere kans hebben op een chromosomenafwijking, maar dat het merendeel geen afwijking heeft.

Kortom, voordat tot implementatie in de Nederlandse verloskundige zorg zou worden overgegaan, dienen praktische, ethische, maatschappelijke en financiële aspecten van dit echo-onderzoek te worden onderzocht, zoals dr. Snijders zelf in haar proefschrift aangeeft.