Van Binnen

“De rommel, dat is meer mijn afdeling. Op een veiling was laatst een poot van een schemerlamp te koop, een heel lelijk ding eigenlijk, die niemand zelfs voor twee gulden hebben wilde. Heb ik meegenomen. Zo'n gekke poot, die kon ik toch niet aan zijn lot overlaten? Er staan hier ook zo veel stoelen, ze spoelen hier aan als zwerfkatten. Aan al die voorwerpen hier in huis zit een verhaal.

Het lijkt of elke keer dat ik een verzameling van iets heb aangelegd, het een trend wordt. Of dat nu oude ansichtkaarten zijn, of oud speelgoed... Als het mode wordt, en dus ook nog duur, dan hoef ik niet meer. De laatste tijd heb ik een tik voor oude vitrage. En op klokken ben ik altijd al gek geweest. Op de overloop hangen twee koekoeksklokken en zelfs op de wc één. Nee, het tikken stoort me niet, ik hoor het pas als ze ermee ophouden.

Ik hecht me niet aan bezit, maar aan geschiedenissen. Als je de waarde van een voorwerp in geld kunt uitdrukken, wordt het plezier dat je ervan hebt al minder. Het nare is als je wel eens getaxeerd wordt, maar gelukkig vergeet ik het meteen weer. Wat voor de verzekering mooi is, is voor mij een prul. Ik vind het niet erg als de dingen een beetje beschadigd zijn. De mode die je nu hebt om overal lappen overheen te draperen, komt mij heel goed uit. Die grote oortjesstoel hebben de poezen helemaal stukgekrabd, maar nu hoef ik hem niet weg te doen. Deze vaas heb ik voor bijna niks op de markt gekocht. Er is een stukje af maar dat geeft niks, er kan best nog een bloemetje in. Er moeten duizenden mensen langs zijn gelopen, en niemand die 'm wou hebben.

O ja, dit is ook zo leuk! Deze antieke wastafel met blauwe bloemen heb ik zeker 25 jaar geleden uit de container gehaald, toen dat spul allemaal uit de huizen werd weggeslagen. De helft van mijn uitzet komt uit de kraak, zo noemden wij vroeger het grof vuil. Dit gietijzeren hekje ook. Eerst heb ik een hele tijd weggelegd, dat mijn echtgenoot het niet zou zien. En kijk! 't Is nu het perfecte handdoekenrek! Als ik weer eens met iets aan kom zetten, zegt hij soms: waar ga je dàt nou weer laten? Dat zei hij ook toen ik met die pluche bioscoopstoel thuiskwam. Die staat nu naast de bakelieten telefoon hier in de gang. Maar als ik daar zit te bellen en door de gang kijk naar de stofdeeltjes in het zonlicht, dan ben ik volmaakt gelukkig.

Het is een huis vol holletjes en hoekjes, plekjes om je te verstoppen en een tuinhek dat piept. De inhoud van je huis is net de inhoud van je hart. Je slaat er van alles in op, dingen waar je heel moeilijk afstand van kunt nemen. Ik ben ook heel behoudend in mijn vriendenkring. Ik wil alles tot het einde toe bewaren en zien groeien. Mijn dochter wil alles nieuw. Dat begrijp ik wel. Als je jong bent moet je steeds vooruit kijken, dan moet je je niet zo hechten. Als je weer véél ouder bent, ga je je ook onthechten. Ik zit, geloof ik, nog in mijn hele hechte periode!

Maar het huis raakt natuurlijk wel een keer vol. De rest van het gezin moet er ook nog bijkunnen. Je gaat de betrekkelijkheid zien van dat aanschaffen van dingen. Als we thuiskomen na vier weken kamperen in een heel simpel tentje, denk ik: wat móét ik toch met al die rommel? Het moment nadert dat er niets meer bij kan, omdat er dan iets uit zou moeten, en ik kan van niets afscheid nemen. Toch kan ik me zo langzamerhand voorstellen dat er een tijd komt dat ik dingen ga weggeven, aan mensen van wie ik weet dat ze er plezier aan zullen hebben.

Ja, die twee oude tikmachines had ik dus ook. Ze staan toch niemand in de weg, daar bovenop de kast?

Ik ben niet zo'n poetser. Als ik nu spinrag op de lamp zie, denk ik: de spinnen wonen hier net zo goed. Laatst was een vriendinnetje van mijn dochter hier en ze durfde vanwege de spinneweb niet naar de wc, nou, die heb ik weggehaald. Zo vergaan wij hier van stof tot stof.''