NIGERIA

“Als Shell opruimt kunnen wij verder leven”, in het interview met Ken Saro-Wiwa (NRC Handelsblad, 13 november). is een wat eenzijdige weergave van de situatie ter plaatse.

In Nigeria verkrijgen oliemaatschappijen (waaronder Shell) opsporings- en exploitatievergunningen van en op de voorwaarden van de Federale Nigeriaanse overheid. De Federale overheid op haar beurt verkrijgt inkomsten uit opsporingsverguningen, royalties over produktie en dividenden via haar deelneming in de diverse in Nigeria werkzame oliemaatschappijen. Via de nationale oliemaatschappij NNPC heeft de overheid een belang van 60 procent in de meeste in Nigeria werkzame joint ventures.

De inkomsten uit de olie-exploitatie dekken ruim 80 procent van de begrotingen van de Nigeriaanse overheden, in Nederlandse termen: van gemeente- tot rijksoverheid. De olieproducerende deelstaten (niet provincies, zoals u abusievelijk vermeldt) krijgen een extra uitkering uit de Federale fondsen, die is gebaseerd op de olieproduktie in hun staat.

Daarnaast bestaat er een apart fonds (OMPADEC), dat door de Federale overheid wordt gefinancierd en tot doel heeft infrastructurele werken in de olieproducerende deelstaten te financieren c.q. uit te voeren.

Problemen tussen veel van de 'olieproducerende gemeenschappen' en de oliemaatschappijen worden veroorzaakt doordat de eerder genoemde instellingen niet of nauwelijks functioneren en de Ogonis en andere groepen eisen dat de oliemaatschappijen de rol van de Federale en deelstaatoverheden overnemen en wegen aanleggen, water en electriciteit verschaffen, scholen en ziekenhuizen bouwen, etc. De oliemaatschappijen doen dit in zekere mate, maar beschouwen dit - terecht - als een taak van de eerder genoemde overheden. Het falen van deze overheden wordt in het artikel nauwelijks belicht.

Saro-Wiwa, ooit minister van onderwijs in Rivers State, is sinds een jaar of drie dé voorvechter van de 'rechten' van de Ogoni geworden.

Gemakshalve gaat hij voorbij aan het feit dat de oliemaatschappijen gebonden zijn aan de Nigeriaanse wet- en regelgeving. Dat deze regelgeving niet erg strikt is, kan men deze maatschappijen nauwelijks verwijten. Het Federale Oil Inspectorate en de FEPA, de Federal Environmental Protection Agency, schieten (in onze westerse ogen) echter duidelijk tekort. Saro-Wiwa zwijgt ook hier over.

Ook praat Saro-Wiwa erg gemakkelijk over de Ogoni/Andoni-tegenstellingen. Etnische conflicten zijn in Nigeria aan de orde van de dag. Niet alleen tussen de genoemde groepen, maar ook elders vallen er maandelijks doden en gewonden. De African Guardian ken ik als een redelijk neutraal weekblad, Saro-Wiwa als een eenzijdige berichtgever. Het zou goed zijn als de andere kant van de Ogoni-medaille ook werd belicht.

    • J. de Rhoter