Nederland is een gastvrije maar roekeloze herberg

Het gevoel dat Nederland vol was heerste al voor de komst van migranten en asielzoekers. Ook zonder deze nieuwkomers zou de volte van ons land continu bovenaan de politieke agenda moeten prijken.

Dat het hier geen waandenkbeeld betreft, leren de cijfers. Na Bangladesh is Nederland het dichtstbevolkte land ter wereld: gemiddeld meer dan 446 personen per vierkante kilometer, nauwelijks een kwart hectare per persoon. In de randstedelijke provincies tellen we zelfs 900 inwoners per vierkante kilometer.

Daarnaast is ons land rijk: per hoofd hebben we globaal het honderdvoudige te verteren van een arme aardbewoner. Door op een kluitje te wonen èn tegelijkertijd veel te consumeren is ons land zo vol en zo vuil: per vierkante kilometer resulteert dat ondermeer in het hoogste energie- en waterverbruik, de grootste veestapel, de hoogste autodichtheid en het grootste aantal voertuigkilometers ter wereld.

Men zou verwachten dat deze kritieke situatie tot grensstellend overheidsbeleid zonder aanzien des persoons zou hebben geleid, maar die naam mag het niet hebben. Een milieu-georiënteerde bevolkingspolitiek is nog altijd onbespreekbaar en wordt dus niet gevoerd. Daardoor moet nu teruggevallen worden op ontoereikende juridische regels, wat schrijnende situaties oplevert aan de grens en ongelijke behandeling daarbinnen. Emoties en crisismaatregelen gaan overheersen.

In aandeel van de bevolking uitgedrukt lijkt het dunbevolkte Denemarken met ongeveer één vluchteling per 185 inwoners binnen de EG een lichtend voorbeeld, en Nederland een ongastvrij land. Maar volte vraagt vertaling naar plaats. Nederland herbergt immers per vierkante kilometer nu al vier maal zoveel onderdanen en neemt ook nog vluchtelingen op. Door als volle herberg nog zoveel mensen toe te laten is ons land een toonbeeld van gastvrijheid op het roekeloze af. Ter vergelijking: om op de bevolkingsdichtheid per vierkante kilometer van Nederland te komen zou het grotere Denemarken zeker dertien en een half miljoen mensen 'moeten opnemen'. Burgers hier te lande kan dan ook geen misplaatst vol-gevoel worden verweten. Daarbij wordt dit gevoel nog aangewakkerd doordat in tegenstelling tot natuurlijke aanwas de instroom zich schoksgewijs voltrekt: huizen, scholen en werk moeten onmiddellijk beschikbaar zijn. En het geringe surplus van dit dichtbevolkte land wordt nu behalve door gezinshereniging en gezinsvorming van migranten door asielzoekers snel uitgeput. Dit dwingt weer tot creatie van nieuwe opvangmogelijkheden, desnoods met voorbijgaan aan de wensen van de zittende bevolking. Daardoor wordt het debat over het volte-gevoel steeds meer in verband gebracht met alleen degenen die het laatst zijn binnengekomen. Zo zakt de discussie snel af naar een niveau waarbij er meer problemen worden gemaakt dan opgelost.

Volte blijkt afhankelijk van het aantal mensen, maar nog meer van hun gedrag. Leven ze sober, dan kunnen er meer op een vierkante kilometer voor het volte-gevoel toeslaat. Van enige consumptieve terughoudendheid in Nederland is echter nog geen sprake. De hoogste infrastructuurdichtheid ter wereld blijkt geen beletsel om er nog meer wegen en spoorlijnen bij te willen leggen - zie de Betuweroute. En nog onlangs ondertekende milieuminister Alders een trendbrief waarin de geplande nieuwbouw wordt opgeschroefd tot ruim een miljoen woningen voor de periode 1990-2005. Die bouwplannen zijn in de Randstad voor bijna tweederde terug te voeren op de toename van het aantal buitenlandse migranten, die zich daar hebben geconcentreerd. Wonen zullen ze er straks niet: ze betrekken de woningen die worden achtergelaten door de mensen die naar ruimere nieuwbouw verhuizen.

Drie denkfouten vallen op: migratie wordt als natuurverschijnsel afgedaan; bevolkingsbeleid blijft buiten beschouwing; en bevolkingsgroei is gegeven. Dan wordt bevolkingstoename opgevangen met nieuwbouw alsof de bestaande voorraad volledig is benut. Aan de zo oneindig geworden bouwopgave komt pas een eind als de landsgrenzen zijn bereikt dan wel het leefmilieu bezwijkt.

Wie moet het nu worden aangerekend dat het zover heeft kunnen komen? Sinds de migranten-van-het-eerste-uur zo'n kwart eeuw geleden als gastarbeiders in pensions waren ondergebracht, nam onze bevolking met een kwart toe en steeg het stedelijk ruimtegebruik ruim drie maal zo snel. Bij een dergelijke groei zou een grote Markerwaard in vier jaar vol zijn geweest en de in te polderen Waddenzee daarna binnen tien jaar eveneens. Tegenstanders van deze inpolderingsplannen, waaronder de auteur dezes, wisten de rijksoverheid er uiteindelijk vanaf te brengen aan deze ruimtehonger toe te geven. Toen de samenleving vervolgens niet uit zijn voegen bleek te barsten kwam het model van de compacte stad in zwang: minder groei graag maar toch niet gericht op gelijkblijvend ruimtegebruik.

De vraag naar onderdak blijkt niet alleen afkomstig van nieuwkomers maar meer en meer ook van huishoudens die in de knel zijn komen te zitten in hun huidige woning. Woningen zijn star en plaatsgebonden terwijl bewoners voortdurend veranderen. Momenteel begint de naoorlogse geboortegolf te vergrijzen. Hun kinderen zijn de deur uit en het lege nest wordt ze te groot. Compacte woonalternatieven in eigen buurt worden niet geboden met als gevolg dat de beschikbare huizenvoorraad zo minder onderdak verschaft dan had gekund. Decennia lang is blind voor deze ontwikkeling gebouwd, zodat 70 procent van de zes miljoen woningen inmiddels uit eengezinswoningen bestaat terwijl nu al 61 procent van alle huishoudens klein is. Driekwart van alle woningen heeft vier of meer kamers. Die worden naar schatting voor 20 procent tegen wil en dank te ruim bewoond. Slaagt men erin het herbergend vermogen van de voorraad op te voeren door bijvoorbeeld woningsplitsing op basis van vrijwilligheid, dan kunnen zo'n half miljoen nieuwbouwwoningen minder worden gebouwd. Dat is de bouwproduktie voor vijf jaar zodat een bouwstop voor die periode mogelijk wordt.

Dit voorbeeld illustreert wat met optimalisering van ons voorzieningengebruik mogelijk en uit milieu- en gastvrijheidsoverwegingen ook noodzakelijk is. Bij nadere beschouwing blijkt Nederland 'vol leegte' die het aanpakken waard is: van de kantoren staat 11 procent leeg; op overvolle wegen rijdt een kwart van de vrachtwagens leeg tussen niet of nauwelijks gevulde personenauto's, over de lege rails denderen halfvolle goederenwagons, over stille vaarten varen voor 45 procent lege binnenschepen.

Na 2010 zal de geboortegolf wegebben maar als dan ons consumptieniveau is blijven groeien, zal het ook daarna te vol zijn voor nieuwkomers, die dan wel hard nodig zullen zijn om het werk te doen. Ook om die reden is het van levensbelang nu met meer soberheid te beginnen.