Miskleun

De minister van ontwikkelingssamenwerking, Jan Pronk, debuteerde achttien jaar geleden als peetvader aan de wieg van Surinames onafhankelijkheid. Het moederland had de buik vol van Suriname. Met man en macht werkte de toenmalige regering-Den Uyl eraan om die vrucht van een koloniaal verleden af te drijven. Een beetje links geregeerd land kon er toen, in de jaren zeventig, met de beste bedoelingen geen wingewesten meer op na houden.

Nederland wilde zo graag van Suriname af dat het bereid was de bevolking om te kopen met de belofte van vele miljarden aan ontwikkelingsgeld. Een kundig getraind en goed bewapend eigen legertje dat door een Nederlandse militaire missie verder zou worden bijgestaan, moest erop toezien dat 's landskinderen daar zich beschermd wisten.

De vroegere volksplanting, toen ook al onder het wanbestuur van corrupte politici, liet zich voornamelijk door gestes en geschenken misleiden. Op 25 november 1975 werd plechtig de onafhankelijkheid uitgeroepen. Suriname bleef met de gebakken peren zitten: de wanorde en het moreel verval na de opgedrongen zelfstandigheid werden zo groot, dat het land langzamerhand onbestuurbaar bleek. Nu wordt hier dagelijks verhaald over de ellende daar.

Iedere keer weer wanneer de minister van ontwikkelingssamenwerking, wiens denkbeelden wortelen in het drijfzand van goede bedoelingen, de passie preekt moet ik aan Suriname denken. Met de geestdrift van hen die voor hun levensonderhoud afhangen van andermans problemen weet minister Pronk, reliek van de jaren zestig, steeds weer de publiciteit te vinden en mijn wrevel te wekken. In zijn verhalen klinkt het pathos door van een provinciaal die op zijn verre reizen het echte leven te zien heeft gekregen. Zijn toon is verongelijkt en achteraf heeft hij alles altijd ruimschoots voorzien. Topzwaar van hulpvaardigheid verwoordt hij het leed der onderdrukten met zacht verwijt. Wellicht ligt onder de laag van eigendunk het beeld van een man die gebukt gaat onder de medeplichtigheid aan de geforceerde geboorte van Surinames onafhankelijkheid. Dat zou hem aantrekkelijker maken. Al was hij een schakel in een groter geheel, ook maar een voetebooi, huisknecht van het moederland, ik kan er niets aan doen dat ik hem die miskleun nadraag.

    • Ellen Ombre