Een andere wereld

De Leidse Universiteit beroept zich er graag op, naar haar trotse devies, 'een bolwerk der vrijheid' te zijn. Daarom cultiveert zij ook met zorg haar oorlogsverleden en herdenkt zij ieder jaar de rede die de decaan van de juridische faculteit, professor P. Cleveringa, op 26 november 1940 hield om te protesteren tegen het ontslag van de joodse hoogleraren. Op die vrijheidszin en dat volmaakte oorlogsverleden valt misschien wel iets af te dingen, maar er is alle reden om Cleveringa te blijven herdenken, want hij stelde een zeer moedige daad, een daad bovendien die ook voor hem persoonlijk grote gevolgen zou hebben, want hij werd kort daarna gearresteerd.

De 26 november-herdenking vindt tegenwoordig plaats in de vorm van bijeenkomsten van Leidse alumni op tal van plaatsen in Nederland, in Europa en de wereld. Het programma voorziet doorgaans in een academische spreker, die iets vertelt over zijn werk, en een student, die iets vertelt over het studentenleven. Vroeger refereerde de voorzitter van de bijeenkomst vrijwel altijd aan Cleveringa en de gebeurtenissen van 26 november 1940, maar die tijd loopt ten einde. Het aantal mensen dat er op die dag bij is geweest, neemt uiteraard af, zoals ook het aantal mensen dat de oorlog zelf nog heeft meegemaakt, steeds geringer wordt.

Over Cleveringa, Leiden en de oorlog wordt dus niet zoveel meer gesproken. Ook de Leidse universiteit zelf heeft haar jaarlijkse Cleveringa-herdenking al lang geleden afgeschaft. Vroeger werd het protest van Cleveringa ook door de Leidse universitaire gemeenschap herdacht met een bijeenkomst in de Pieterskerk. Daar werd niet gesproken over hedendaagse trends in het studentenleven of nieuwe vondsten in de wetenschap, maar over thema's die met de gebeurtenissen van 1940-45 rechtstreeks in verband konden worden gebracht: vrijheid, democratie, tolerantie, het zoeken naar de waarheid et cetera. Natuurlijk werd daarbij ook ingegaan op de rede van Cleveringa zelf. Zo maakten ook degenen die er in 1940 niet bij waren geweest, zich een zekere voorstelling van die rede. Zij stelden zich die voor als een vlammend protest tegen de Duitse bezetter, een hartstochtelijk pleidooi voor de vrijheid, een principieel betoog tegen racisme en antisemitisme, een vurige oproep tot massaal protest.

Als men met zulke voorstellingen die rede leest, wacht echter een verrassing want ze beantwoordt naar toon en inhoud niet geheel aan deze verwachtingen. Natuurlijk staan in het begin de bekende woorden over degenen die voor het ontslag - of beter, de ontheffing uit hun functie - van de joodse hoogleraren verantwoordelijk waren: “hun daad kwalificeert zichzelf afdoende. Het enige wat ik thans begeer, is: hen uit het gezicht en beneden ons te laten (...)”. En uiteraard vinden wij aan het eind de even beroemde als bewogen woorden over Meyers: “dat hij hier behoort te staan en, zo God het wil, weer zal keeren”.

Maar verder bestaat die vermaarde rede voor een groot deel uit een beschouwing over kwaliteit en betekenis van het wetenschappelijk werk van Meyers. De studenten worden herinnerd aan Meyers' 'Het Oost-Vlaamsche erfrecht' en zijn 'opstel in het WPNR (3285 e.v.) over de beteekenis van het probleem der rechtspersoonlijkheid'. Ook de vele andere verdiensten en onderscheidingen van Meyers passeren uitgebreid de revue, alvorens wij helemaal aan het eind weer terugkomen bij de zaak waar het eigenlijk om ging, het gedwongen vertrek van de joodse hoogleraren. Het is ook pas daar, in de allerlaatste regels, dat men eraan wordt herinnerd dat de maatregel van de bezetter niet slechts één hoogleraar uit de juridische faculteit trof, de beroemde Meyers, maar ook diens veel minder bekende collega David, de hoogleraar in de Babylonische en Assyrische rechtsgeschiedenis.

Op het eerste gezicht is dit enigszins verbazingwekkend, maar als men erover nadenkt, wordt het allemaal begrijpelijker. Cleveringa sprak als decaan en had het daarom alleen over de getroffenen uit zijn eigen faculteit. Hij sprak op het uur waarop Meyers normaal gesproken college gaf en had het daarom vooral over hem, die bovendien zijn promotor was geweest. Of de studenten op dat - of enig - moment in Meyers' beschouwingen over het Oostvlaamse erfrecht erg geïnteresseerd zijn geweest, vragen wij ons wellicht af, maar Cleveringa kennelijk niet. Hij vond dat vanzelfsprekend. Het was bovendien heel verstandig om de toon waardig en zakelijk te houden en het zou heel gevaarlijk zijn geweest wilde oproepen of uitspraken te doen. De boodschap was trouwens duidelijk genoeg en de rede maakte dan ook op allen die er bij waren een onvergetelijke indruk.

Toch zal wie dit achteraf leest en deze tijd zelf niet bewust heeft meegemaakt, enigszins verbaasd zijn een tekst te lezen die zo heel anders is dan de voorstelling die men zich op grond van de overlevering over het Leidse en Nederlandse verzet hiervan heeft gemaakt. Men beseft opeens in een heel andere wereld te verkeren dan de tegenwoordige. Dit gevoel, deze historische sensatie, wordt nog sterker bij lezing van de Gedenkschriften van Cleveringa, die tien jaar geleden zijn uitgegeven. Cleveringa beschrijft hierin onder andere zijn laatste avond thuis: hoe hij samen met zijn vrouw in de huiskamer zit, “elk aan een andere zijde van de groote tafel; tegenover elkaar; het theeblad stond naast haar (...), een laatste avond van stil huiselijk geluk”. Vervolgens herinnert hij zich zijn overwegingen van toen of, zoals men tegenwoordig zegt, wat er toen door hem heen ging: “Ik hoopte natuurlijk, dat de Duitschers mijn houding zouden billijken; ik hoopte, dat zij mij in mijn werk en huis zouden laten; ik wist, dat ik niets deed wat zij mij in redelijkheid euvel konden duiden; maar ik wist ook, dat zij dikwijls onredelijk waren.” Zo'n passage doet beter dan wat ook beseffen hoezeer mensen als Cleveringa verbijsterd moeten zijn geweest door de gebeurtenissen die zich in 1940 en volgende jaren zouden voltrekken.

De Gedenkschriften leggen op meer dan één plaats getuigenis af van deze verbazing. Zo wordt over het gedrag van de Duitsers opgemerkt: “Het moet alles met snauwen en schreeuwen gebeuren, schijnen ze te meenen; gemoedelijke vlotheid is hun vreemd.” Het zijn deze en dergelijke uitlatingen die zo sterk het gevoel geven in een andere wereld te verkeren. Ook het archaïsche taal- en woordgebuik draagt daar toe bij. Wij lezen over 'kwajongensachtige jolijt'. Ook wordt “in de cel (...) geschaterd van de pret” en “jongensachtig gestoeid”. Een medegevangene wordt beschreven als een “gezonde, stevige, levenslustige knaap met zijn kroeskop, altijd opgewekt, tuk op een grapje”. Dit is niet de wereld van Soldaat van Oranje, maar van Dik Trom en J.B. Schuijl.

Wie dit leest, zal daarom wellicht denken dat wij hier met een wel zeer wereldvreemd iemand te maken hebben. Maar dat is niet zo. Cleveringa was geen studeerkamergeleerde, maar iemand met praktische ervaring in het bedrijfsleven en bij de rechterlijke macht. Het is dan ook geen kwestie van wereldvreemdheid, maar van door en door fatsoenlijke burgerlijkheid en burgerzin, in de beste betekenis van deze woorden.

Men kan zich dus een ogenblik verbazen over wat klinkt als naïviteit, maar historisch inzicht leidt al snel tot de conclusie dat het juist naïef is zich hierover te verbazen. Het verleden is nu eenmaal anders dan het heden. Dat is precies waar het bij de geschiedenis om gaat. Deze even eenvoudige als belangrijke wijsheid is nergens beter geformuleerd dan in de prachtige openingszin van Barry's The go-between: “The past is a foreign country. They do things differently there.”

    • H.L. Wesseling