De zachte dood en het moeilijke wantrouwen

In het debat in de Eerste Kamer over het regeringsvoorstel de meldingsprocedure inzake euthanasie een wettelijke status te geven, is de wenselijkheid genoemd van meer opsporing en registratie van gevallen van euthanasie. Op het laatste reageerde de minister van justitie positief, op het eerste afhoudend. Het CDA, bij monde van Fleers, verbaast zich erover dat van het grote aantal gevallen die thans aan het OM wordt gemeld - 1352 in 1992 - er zo weinige tot vervolging leiden. Het lijkt wel of euthanasie straffeloos is geworden. Nee, antwoordt Hirsch Ballin, euthanasie blijft strafbaar.

Het niveau van de discussie in onze senaat kan iemand die zich verdiept heeft in de problematiek van de 'regulering van het levensbeëindigend handelen door artsen' en de rol die het strafrecht daarbij speelt, alleen maar verbazen en teleurstellen. Het is evident dat de toenemende melding van euthanasie aan Justitie het gevolg is van een onderhandelingsproces tussen Justitie en de medische stand: over de voorwaarden waaronder gemeld zal worden en de verwachtingen die artsen dan koesteren over de rechtsgevolgen van die melding. Zonder de 'afspraak', dat niet vervolgd wordt indien de euthanasie voldoet aan de via rechtspraak en wetsvoorstellen uitgewerkte en aanvaarde criteria, waren artsen niet gekomen tot een dergelijk hoog niveau van melding. Het in 1992 gemelde aantal betreft meer dan de helft van het vermoedelijke totaal van gevallen van euthanasie, als de cijfers van de commissie Remmelink nog steeds als de beste schatting gelden.

Zou vervolging het waarschijnlijke gevolg van melding zijn, dan zou het merendeel der artsen wederom zwijgen. Daar hebben zij ook het volste recht toe, aangezien een burger niet actief hoeft mee te werken aan zijn eigen strafrechtelijke veroordeling.

De opsporing van euthanasie als misdrijf is intussen afhankelijk van de medewerking van de betrokkenen bij dat misdrijf. Het is niet goed denkbaar dat de politie zónder medewerking tot een redelijk niveau van opsporing kan komen, want die moet voor zelfstandige opsporing immers activiteiten ontwikkelen op de plaats van het misdrijf zelf (ziekenhuizen, verpleeghuizen, of woningen). Dit is organisatorisch onmogelijk, maar ook in juridisch en moreel opzicht uiterst dubieus.

Op welke strafvorderlijke grondslag zouden politiemensen daar ter plekke kunnen zijn? De gedachte, dat alle medische handelingen rondom het levenseinde in principe verdacht zijn en er dus preventieve surveillance nodig is criminaliseert in feite de artsenstand.

Medewerking van de betrokkenen zelf bij de behandeling van de euthanasie als misdrijf, verkrijgt men niet van de arts en kan men van deze ook rechtens niet verlangen. Van de patiënt die erom vraagt verkrijgt men ze ook niet. Van de patiënt die zich niet meer goed kan uiten evenmin. Ook van de verplegende staf, die samen met de arts komt tot een medische behandeling van een patiënt, waarin euthanasie of een schijnvorm daarvan wordt opgenomen, niet. Van de familie is tot nog toe zelden een aangifte gekomen.

Kijkt men ten slotte naar één van de schijnvormen die uit een oogpunt van beheersing een probleem vormt, de pijnbestrijding met levensverkortend effect, dan wordt de problematiek van méér opsporing op nog een andere manier duidelijk. Het verschil tussen de niet-strafbare en de strafbare vorm in dit geval is de intentie van de arts; heeft hij het hoofddoel pijn adequaat te bestrijden, dan valt het onder medisch verantwoord handelen, heeft hij het primaire oogmerk het leven te bekorten, dan praten we in feite over euthanasie, althans wanneer er een verzoek van de patiënt is, ánders over moord. Het verschil in bedoeling zit in de keuze van de medicijnen in samenhang met de hoeveelheid die toegediend wordt. Is die keuze adequaat, is er pijnbestrijding, is die keuze disproportioneel, dan kan er van euthanasie sprake zijn.

Een dergelijke controle kan alleen binnen de professionele organisatie door artsen zelf worden gedaan.

De wetgever moet kiezen tussen twee dingen die elkaar uitsluiten: zij moet de euthanasie verbieden, of haar toestaan en regelen. Verbieden en tegelijkertijd reguleren is een onbegaanbare weg. De fundamentele paradox van een strafwet inzake de euthanasie is, dat de reden van zo'n wet ligt in het wantrouwen in de arts, terwijl de handhaving van die wet volkomen afhankelijk is van de medewerking te goeder trouw van diezelfde arts.