De gedaantewisseling van het moderne begrafenisritueel; Het goede afscheid nemen komt weer terug

Je met een boot naar de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied laten slepen, is al lang geen unicum meer. Duiven oplaten bij de kist, de kist zelf timmeren en beplakken met schelpen: de Westerse begrafenisrituelen veranderen. Waren we eerst opgelucht dat we van alle door kerk en samenleving opgelegd ceremonieel af waren, nu knaagt de stilte.

'Mijn ogen zijn rood', zegt een Ghanees als hij rouwt. 'Ik slaap niet, eet niet, ik huil alleen maar van verdriet.' Daarom draagt hij rode kleding als een naaste overleden is. Met een schuin oog naar de video-opnamen van een traditionele begrafenis in Ghana en naar de opnamen van de rouwceremonie voor de slachtoffers van de Bijlmerramp, vertellen Earnest Owusu Sekeyere en Woffa Yaw Ampomah-Nketiah uit Ghana over rouwrituelen in hun geboorteland.

Op het scherm verschijnen mannen en vrouwen in zwarte, rode en soms witte jurken en om het lichaam geslagen doeken die een schouder bloot laten. Door het Afrikaanse dorp dreunen talking drums, vrouwen zijn traag aan het dansen en omhelzen elkaar. “Wij dansen bij geluk en bij verdriet”, zegt Sekeyere, “maar de passen en het ritme zijn wel verschillend.”

Het dragen van de rouwkleuren blijkt in Ghana aan complexe regels te moeten voldoen. Rood, de kleur van gevaar, en de kleur van het heilige bloed - het bloed dat de verbinding legt tussen ziel en lichaam, tussen de spirituele en de fysieke wereld - wordt alleen gedragen door naaste familie. Verdere verwanten dragen zwart. Witte rouwkleding wordt alleen in heel specifieke gevallen gebruikt. Als iemand sterft van ouderdom en dus aan al zijn verplichtingen op aarde kon voldoen, is zijn overlijden een victory over death; eigenlijk een blijde gebeurtenis: de naaste verwanten 'maken zich wit', heet het dan. Wit is bovendien de kleur van heiligheid en zuiverheid; het jaagt de kwade geesten weg. Daarom draagt de nabije familie ook wit bij een plotselinge dood (zoals met de Bijlmerramp) die gezien wordt als een interventie van het boze. 'Shame the devil', noemt Sekyere dat.

Ghanezen in Nederland houden de traditionele dracht en de bijbehorende gezangen en dansen in ere, al gelooft lang niet iedere Ghanees meer in de vooroudergeesten. “Zelf ben ik christen”, zegt Owusu Sekyere, “maar ik respecteer deze gebruiken omdat we ons er prettig bij voelen en ze ons helpen het verdriet te verwerken.”

Hoewel de rouwceremonie van Creoolse Surinamers overeenkomsten met de Afrikaanse rituelen vertoont, zal een Surinamer nooit rode rouwkleding dragen. Dat is voor hem een typische feestkleur. Zwart en wit, en als het verdriet slijt, blauw en paars in steeds lichtere varianten, zijn Surinaamse rouwkleuren. Typische kenmerken zijn het tonen van veel emoties, het verzorgen en voortdurend aanraken van de overledene, het gezamenlijk ophalen van herinneringen in diens aanwezigheid, en het dansen, zingen, en bidden tijdens een langdurige begrafenisplechtigheid, schrijft H. Stephen in Dede Oso. De dood en rouwverwerking bij Surinamers.

Vergeleken bij deze uitbundige rouwbelijdenissen zijn Nederlandse uitvaartdiensten kale en kille gebeurtenissen. “Wat gangbaar is?” zegt David Elders, filosoof en sinds twee maanden eigenaar van een alternatieve begrafenisonderneming. “Een half uurtje aula met een spreker en een stukje muziek op de recorder. De familie kijkt somber. Dan een half uurtje condoléance met koffie en cake.”

'Uitvaartfabrieken' noemt de voormalige directeur van de Haagse uitvaartonderneming 't Statenhuys, L. Jol, de crematiecentra. Volgens Jol hebben de mensen meer dan genoeg van steriele toestanden. De begrafeniscultuur komt in beweging, al is het langzaam. Het goede afscheid nemen komt weer terug. Thuis opbaren - wat tegenwoordig minder problemen oplevert door de ontwikkeling van geavanceerde koelkatafalken - en het houden van dodewakes komt steeds meer voor. Men wil weer rouwstoeten en rouwkoetsen. Met een boot naar de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied gesleept worden, is al geen unicum meer.

Ook het ceremonieel wordt steeds meer zelf 'geregisseerd'. Een duif oplaten als de kist zakt. Of ballonnen laten opstijgen. Zelf het graf dichtscheppen en meteen met struiken beplanten. Meegaan naar de oven. Zelf kisten maken of de kist beschilderen; evenzoveel manieren die de rouwverwerking bevorderen, begint men te beseffen. Er bestaat zelfs een kistenbedrijf waar zakken vol schelpen staan; die mag je er zelf opplakken, bij wijze van therapie.

Ook rouwdrukwerk kan alternatief: je hebt brieven met foto's, of met vrolijke blauwe lijntjes. Ook de advertenties worden openhartiger en persoonlijker. Ze zijn soms met de hand geschreven en waarom zou er geen foto van de overledene in geplaatst mogen worden?

Kunstenaars ontwerpen alternatieve, al dan niet persoonlijke grafmonumenten. Amsterdam heeft een goedlopend uitvaartimpresariaat, Timbre, dat levende muziek tijdens rouwplechtigheden verzorgt. Deze zomer verscheen het eerste nummer van Mortalis, een glossy tijdschrift 'over leven, dood, begraven, cremeren en rouwverwerking'. Mortalis is geen blad met een rouwrandje schrijft de hoofdredacteur in zijn eerste cursief.

De reclame 'Is er koffie na de dood?' werd door de reclamecodecommissie als onnodig kwetsend verboden. Hoe zou de commissie hebben gereageerd als er in plaats van koffie champagne had gestaan? In het 'Amsterdamse Centrum voor begraven en cremeren Westgaarde' staat men niet te kijken van een condoléance waar bier, wijn of champagne vloeit. “Waarom niet?” zegt directeur Mea Venster. “Als dat nu meer in overeenstemming is met de levensstijl van de overledene?”

'De uitvaart als spiegel van de overledene', is een gevleugelde uitspraak van mensen uit de uitvaartbranche. Reclamecampagnes van grote ondernemingen en verzekeringen hebben hun toon de laatste jaren veranderd: 'neemt zorgen uit handen' zul je niet meer horen. Wel: 'je vult je eigen leven in, dus ook je eigen uitvaart', of 'Je gaat maar een keer dood'. Maak er dus iets van, is de boodschap.

Nieuwe en kleine begrafenisondernemingen specialiseren zich in de 'persoonlijke uitvaart'. Zo zocht onderneemster Monica Zeegers uit Wychen eens een grote ruimte voor een zangkoor dat op de begrafenis van een van haar leden zou optreden. “Het mocht geen kerk zijn, want de bewuste vrouw was niet religieus. Tijdens een van de voorgesprekken gaf de vrouw zelf te kennen dat ze begraven wilde worden bij een grote eik, omdat ze zo hield van een eeuwenoude eik in de Heemtuin waar ze vaak kwam. Toen wist ik meteen waar we de ceremonie konden houden.”

Een klant van alternatief begrafenisondernemer David Elders wilde onder geen beding opgebaard worden in een onpersoonlijk rouwcentrum. “Hij was iemand die zijn huis mooi inrichtte, zijn gasten altijd een goede wijn en lekkere hapjes serveerde.” Elders liet hem opbaren in een vijftiende-eeuwse crypte in de Barndesteeg op de Amsterdamse wallen. Familie en vrienden waren het erover eens dat het een toepasselijke ruimte en plaats was; midden in Het Leven. “Ik vond het zelf ook een mooi beeld”, zegt Elders. “We hebben de dood zo lang uit onze gedachten en onze omgeving verdrongen. Nu zie je dat hij weer dichterbij mag komen.”

Het is ook niet alleen maar verdriet en verslagenheid als er iemand overlijdt. Een vriend van Elders, jong en gezond, weet precies wat hij wil als het moment daar is: weggebracht worden in een witte smoking met witte hoed, in een witte kist en met een swingende New-Orleans jazzband voorop.

De rouwkledingcultuur van Ghanezen en Surinamers kunnen wij niet evenaren, maar toch lijkt er ook op dit terrein sprake van een kentering. Monica Zeegers baarde begin dit jaar opzien omdat zij en haar louter vrouwelijke personeelsleden gekleed gaan in auberginekleurige pakjes en bij regen schuilen onder paarse paraplu's. Uitvaartcentrum Westgaarde overweegt de aanschaf van flessegroene uniformen, en ook bij de conservatievere ondernemingen wint donkerblauw of een grijstint het steeds vaker van gitzwart.

Ooit, een uitgave van uitvaartverzekeringsmaatschappij De Facultatieve, wijdde dit najaar een themanummer aan rouwkleding, met artikelen over het traditionele begrafenisjacquet ('rijp voor het museum'); het gebruik van doodshemden, de come back van de 'Hoge Zijen', en het kleedgedrag van de nabestaanden. Spijkerbroek, slobbertrui en gymschoenen zijn een alledaags gezicht bij uitvaarten, moppert Ooit. Of je rouwt, feestviert of naar je werk gaat: aan de kleding valt dat niet af te zien. Hoewel het vooral prettig is dat sociale conventies ons niet meer voorschrijven hoe we na een sterfgeval maanden, of zelfs jaren gekleed dienen te gaan, kan rouwkleding ook een zinnig signaal voor de buitenwereld zijn.

Ook de crematiecultuur verandert. Niet alleen neemt het aantal crematies voor het eerst sinds jaren af, nabestaanden houden bovendien steeds vaker het verstrooien van de as voor gezien. In plaats daarvan laat men een urn bijzetten in een urnennis. Op Westgaarde is een apart kantoortje waar sierurnen uitgezocht kunnen worden; variërend in prijs van 350 - voor de Westgaarde standaard-sierurn - tot duizenden guldens voor de kunstzinnige ontwerpen. Ook worden urnen bijgezet in een urnengrafje, waarop een liggende of staande steen geplaatst kan worden, of een 'sierurnament'. Nieuwste aanwinst in Westgaarde is een tegelvloer tussen het groen. Hier kun je een urn onder een tegel met inscriptie laten bijzetten. Wie wel wil verstrooien, maar toch behoefte heeft aan een persoonlijke herdenkingsplek kan een eigen strooiveldje huren.

Waarom heeft men na decennia van rationeel en efficiënt uitvaren weer behoefte aan rituelen? Waren we eerst opgelucht dat we van alle door kerk en samenleving opgelegd ceremonieel af waren, nu knaagt de stilte, het ontbreken van betekenisvolle handelingen.

Met de secularisering is het voor een groot deel van de Nederlanders verdwenen: het toedienen van de Laatste sacramenten, het dragen van (zwarte, een enkele keer witte) rouwkleding, de vanzelfsprekende dodenmis of begrafenisdienst. Maar hoe troostrijk de galm van een kerkorgel, de geur van wierook en het licht van tientallen brandende kaarsen ook mogen zijn, als de overledene zich tijdens zijn leven aan God noch gebod stoorde, en de nabestaanden het Onze Vader alleen gegeneerd kunnen meebrabbelen, dan heeft zo'n traditionele dodenmis iedere betekenis verloren.

Volgens Elders “leven we in een tijd (in de grote steden tenminste), waar iedereen zijn eigen codes en ethiek volgt en daar gelijkgezinden zoekt. “Juist voor 'ongelovigen', die zelf hun leven vorm en inhoud geven, is de laatste gang essentieel. Die eigen zingeving wil je tot en met het laatste stukje doorvoeren. Anders is die dood zo zinloos.” “Vooral aidspatiënten - de voortrekkers in de nieuwe uitvaartcultuur - maar ook terminale kankerpatiënten willen vaak dat hun uitvaart niet een ingehouden plechtigheid is, maar meer een soort feest wordt. Niet uitbundig, maar wel met vrolijke kleren bijvoorbeeld. Er mag gehuild worden, maar het hoeft niet.”

Dat kan te ver gaan, vindt Elders' Haagse collega Jol. De begrafenis van een zoon van een Haagse horeca-ondernemer, die in een lijkstoet van tientallen luidtoeterende jeeps in een anderhalf uur durende tocht langs Haagse horeca-etablissementen werd weggebracht, kon hem niet bekoren. Ook een extreem rechtse jongen die op zijn grafsteen fascistoïde symbolen wil hebben, stelt hem voor een dilemma. “En champagne op de begrafenis? Iedereen een glas in de hand en dan op het moment dat de kist zakt 'proost!' roepen? Dat is de dood overschreeuwen.”