De fut eruit

De fut raakt eruit bij de Nederlandse beroepsbevolking. Werken tot je AOW komt steeds minder voor. Voordat het zover is, is men vervroegd uitgetreden (VUT) of arbeidsongeschikt (WAO). Gezien de sterk gestegen werkloosheid lijkt dat een welkom verschijnsel. Maar in de toekomst heeft die tendens een aantal grote nadelen.

Eerst een paar cijfers. Zo'n dertig jaar geleden was ruim 90 procent van de mannen tussen de vijftig en vijfenzestig jaar actief op de arbeidsmarkt. Tussen haakjes: in die zogenoemde bruto-participatiegraad worden ook de werklozen meegeteld. In 1991 was dat percentage gedaald tot iets meer dan 60 procent. Vergeleken met de andere landen van de Europese Gemeenschap scoort Nederland met een participatiegraad van 42 procent (oudere mannen plus vrouwen, 1990) erg laag. Alleen in België en Luxemburg stopt men nog eerder met werken.

In de komende dertig jaar zal het aantal 65-plussers, volgens een bevolkingsprognose van het CBS, stijgen tot bijna 3,2 miljoen. In 2040 is het aantal AOW'ers zelfs opgelopen tot ongeveer 4 miljoen. Dat leidt tot een explosieve groei van het aantal AOW-uitkeringen. Die uitkeringen moeten worden betaald uit de premies die de actieven afdragen. Zij vormen het draagvlak voor de uitkeringen. En wat dat betreft dreigt de situatie fors uit de hand te lopen, want het draagvlak wordt in de komende jaren steeds smaller. Tussen 1995 en 2020 daalt het aantal personen in de leeftijd tussen 20 en 50 jaar naar verwachting met bijna 0,9 miljoen. Daar staat dan wel een stijging tegenover binnen de groep tussen 50 en 65 jaar. Maar daar schieten we weinig mee op. Integendeel zelfs. Want die ouderen leggen met hun lage participatiegraad juist een toenemende claim op datzelfde draagvlak. WAO-uitkeringen en vervroegde pensioenen moeten immers ook worden betaald uit het inkomen van de actieven.

Aan de daling van het aantal jongeren kan de overheid niets doen, en ook de toename van het aantal ouderen is een gegeven. Dan moet de participatiegraad van de ouderen maar omhoog. Tot die conclusie komt het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het onlangs verschenen Kwartaalbericht Arbeidsmarkt. Aan de AOW-leeftijd van 65 jaar wil het Ministerie (voorlopig nog) niet tornen, maar doorwerken tot je AOW moet weer gewoon worden. Waarom zouden vitale, goed opgeleide werknemers vervroegd achter de geraniums gaan zitten?

Om die hogere participatiegraad te bereiken, doet het ministerie een aantal voorstellen. Een selectie hieruit. Het personeelsbeleid in de ondernemingen moet zich meer gaan richten op de oudere werknemer. Waar nodig moeten de arbeidsomstandigheden en de functies van de ouderen beter worden afgestemd op hun behoeften en mogelijkheden. Scholing en omscholing kunnen daaraan bijdragen. Er moet een eind komen aan de bestaande leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt. Nu is het nog vaak zo dat een oudere werkzoekende al bij voorbaat kansloos is bij een sollicitatie. Ook de huidige praktijk van pensionering moet op de helling. Een oudere werknemer heeft op dit moment de keus tussen werken of niet werken. Vaak kiest hij dan voor dat laatste. Dat ligt anders als er ook een tussenweg is. Bijvoorbeeld: één of twee dagen minder werken. Een flexibel pensioneringssysteem zou werknemers in staat stellen in de loop van een aantal jaren uit het arbeidsproces te stappen. De werknemer blijft dan langer actief in de arbeidsmarkt.

Gezien de uitkeringslast die in de komende jaren op ons afkomt, is het pleidooi voor een grotere arbeidsparticipatie van ouderen begrijpelijk. Maar valt het ook te rijmen met de snel oplopende werkloosheid? Is de mogelijkheid van vervroegde uittreding niet ooit bedacht om daarmee arbeidsplaatsen vrij te maken voor jongere werkzoekenden? Dan is het toch een beetje vreemd om nu met dit soort plannen naar buiten te komen...

Als de plannen van het ministerie op korte termijn zouden worden gerealiseerd, zou dit inderdaad het geval zijn. Maar zaken als mentaliteitsverandering in het bedrijfsleven en een ander pensioneringsstelsel, vereisen een proces van jaren. Het gaat hier om beleid voor de lange termijn. En op de lange termijn zal de arbeidsmarkt waarschijnlijk een heel ander beeld te zien geven. Nu hebben we te maken met een overschot aan werknemers. Maar, gezien de veranderende samenstelling van de Nederlandse bevolking zal dat in de toekomst anders worden. Werkgevers zullen steeds minder een beroep kunnen doen op jongeren om hun vacatures te vervullen. Dan zullen we de oudjes hard nodig hebben om de Nederlandse economie draaiend te houden.