Bulgarije voelt zich door Westen vergeten; Parlement verlamd door geruzie

SOFIA, NOV. Het mausoleum in Sofia waar ooit het lichaam van de communistische leider Georgi Dimitrov lag opgebaard lijkt op een bunker lang nadat de oorlog is afgelopen: nutteloos, vervuild en verlaten, overwoekerd met verschoten aanplakbiljetten, beklad met anticommunistische leuzen. De enige reden dat de betonnen kolos nog niet is afgebroken zou zijn dat de apparatuur die er onder zit om Dimitrovs lichaam op temperatuur te houden te kostbaar is om zomaar op te blazen.

Bulgarije, een land dat wegens zijn blinde aanhankelijkheid jegens Moskou ooit wel “de zestiende republiek van de Sovjet-Unie” werd genoemd, lijkt zich maar moeilijk te kunnen losmaken van zijn totalitaire verleden. Bij een ander monument in het centrum van de Bulgaarse hoofdstad, een veertig meter hoge beeldengroep ter herinnering aan de overwinning van het Rode Leger, verzamelden zich eerder dit jaar honderden getrouwen om dit blijk van Bulgaars-Russische vriendschap te beschermen tegen de slopershamer.

Dat wil niet zeggen dat de Bulgaren de geschiedenis zouden willen terugdraaien. De hartstocht waarmee zij zich overgeven aan de verlokkingen van de consumptiemaatschappij doet niet veel onder voor die van andere Oosteuropeanen. In het staatswarenhuis Tsoem kan iedereen zich vergapen aan alle verscheidenheid die in het Westen bestaat, en aan nog meer: de nabijheid van het Midden-Oosten maakt dat ook produkten uit die regio ruim voorhanden zijn, sanitair uit Israel, leerwaren uit Afghanistan.

Maar die schijn verbergt een harde werkelijkheid: het aantal Bulgaren dat zich ook werkelijk een aankoop in die winkel kan permitteren neemt eerder af dan toe. Voor 90 procent van de 8,5 miljoen Bulgaren is de levensstandaard sinds 1989 gestadig gedaald, niet meer dan tien procent leeft nu beter. Een nieuwe klasse van rijken is ontstaan, die vooral bestaat uit voormalige communisten.

De ineenstorting van het communistische regime in 1989 heeft tot dusver voornamelijk teleurstellingen gebracht: de industriële produktie van het land is sindsdien met 60 procent gedaald, wat niet alleen aan de Bulgaren is te wijten. Achtereenvolgens werd het land geconfronteerd met twee internationale embargo's, eerst dat tegen Irak, maar daarna ook dat tegen het voormalige Joegoslavië, een belangrijke handelspartner, waardoor per jaar volgens de Bulgaarse schatting drie miljard dollar aan inkomsten gederfd wordt.

Gecompenseerd worden de Bulgaren daarvoor niet. Erger nog, de inwerkingstelling van de in maart dit jaar ondertekende interimovereenkomst met de Europese Unie, zoals die inmiddels wel met de meeste andere Oosteuropese landen is gerealiseerd, wordt voortdurend uitgesteld omdat de zuidelijke lidstaten (vooral Frankrijk, Spanje, Portugal en Griekenland) haar blokkeren.

Bulgarije voelt zich in de steek gelaten. Het interimakkoord had op 1 juni in werking moeten treden, maar door het uitstel, zo rekende het Bulgaarse ministerie van buitenlandse zaken Brussel onlangs voor, loopt het land meer dan 200 miljoen dollar aan inkomsten mis.

De opeenhoping van economische rampen - er kwam ook nog eens een extreem droge zomer bij - is de Bulgaarse regering boven het hoofd gegroeid: van het ambitieuze programma waarmee eind vorig jaar het zakenkabinet van de partijloze professor Ljoeben Berov aantrad, is vrijwel niets terechtgekomen. De schatkist is leeg, salarissen van Bulgaren die een overheidsbaan hebben worden al enkele maanden niet meer betaald.

Desondanks overleefde het kabinet van Berov kortgeleden opnieuw een motie van wantrouwen, de vierde die in de elf maanden van zijn bestaan werd ingediend. Dat is illustratief voor de volkomen dolgedraaide politieke situatie in het land: zodra er wetsvoorstellen worden ingediend zorgen de parlementariërs van de drie in het parlement vertegenwoordigde partijen, de BSP, de vroegere communistische partij (106 zetels), de SDS (Unie van democratische krachten, met 110 volksvertegenwoordigers zonder enige partijdiscipline) en de Turkse Beweging voor Rechten en Vrijheden, er wel voor dat een meerderheid tegen is; zodra de vertrouwensvraag wordt gesteld blijkt er plotseling wél een meerderheid voor Berov te zijn.

“De politieke situatie is vastgelopen”, zegt prof. Nansen Behar, directeur van het door hem zelf opgerichte Instituut voor Sociale en Politieke Studies in Sofia. “Bulgarije dreigt een bananenrepubliek te worden, een land dat steeds meer beheerst wordt door mafia-achtige groepen.”

Het grote probleem in de Bulgaarse politiek is volgens Nina Venova, adjunct-hoofdredacteur van het culturele maandblad Lik, het gebrek aan gezaghebbende persoonlijkheden onder de politici. Er worden alleen maar politieke vetes uitgevochten, beschuldigingen uitgesproken, mensen verdacht gemaakt.

De huidige oppositiepartij, de SDS van de vroegere premier Filip Dimitrov, is een samenraapsel van wel vijftien verschillende politieke groeperingen zonder samenhang. Bij het ontstaan van de Unie was men ervan uitgegaan dat de BKP, de communistische partij, spoedig zou ophouden te bestaan, en dat de verschillende stromingen binnen de Unie uiteindelijk hun eigen programma's zouden kunnen verdedigen.

De BKP, inmiddels omgedoopt in BSP, blijkt echter nog steeds een op de drie kiezers in Bulgarije aan te trekken. Samen met de Turkse (nog steeds niet als zodanig geregistreerde) partij en met een twintigtal dissidenten van de SDS (verenigd in de Nieuwe Unie voor Democratie), gedoogt ze de regering-Berov, kritiseert alle voorstellen die die regering doet, maar weigert zelf in de regering zitting te nemen.

Behalve bij de SDS, die een natuurlijke middenpartij is, zijn ook bij socialisten en Turken splitsingsbewegingen aan de gang. Zoals de Alliantie voor Sociale Democratie, een anti-bolsjewistische groep binnen de BSP, die, zo gelooft prof. Behar, met de alternatieve sociaal-liberale partij veel expertise zou kunnen leveren voor een nieuwe regering.

Maar zover is het nog niet. In de eerste plaats omdat zo'n nieuwe partij zich nog niet heeft aangediend, en in de tweede plaats omdat de regering-Berov er voorlopig nog zit. Niet voor lang, geloven veel politici. Aleksandur Marinov, afgevaardigde van de BSP, vindt dat de regering “nog één kans” gegeven moet worden “om de natie door de moeilijke wintermaanden heen te leiden”. Zelfs de socialisten sluiten niet uit dat er vervroegde verkiezingen moeten worden uitgeschreven. Snel kan dat niet: de grondwet bepaalt dat er tussen de val van een kabinet en de verkiezingen ten minste drie maanden moeten verlopen.

Asparoech Panov, lid van de SDS en voorzitter van de Bulgaarse delegatie bij de parlementaire assemblee van de Raad van Europa, ziet reikhalzend uit naar dat moment. Hij vreest dat Bulgarije het internationale vertrouwen dat tijdens het kabinet-Dimitrov is opgebouwd steeds meer verliest. “Deze regering is onverantwoordelijk”, vindt Panov. “Door haar a-politieke karakter is ze in feite oncontroleerbaar en kan ze makkelijk onder invloed komen van vakbonden en mafia's. Wat we nodig hebben is stabilisering van de politieke situatie. Dat kan alleen via vervroegde verkiezingen. Daarna moet er een coalitie worden gevormd op basis van de verkiezingsuitslag en op basis van een akkoord, zodat er een regering komt die verantwoordelijk kan worden gesteld voor het beleid.” Panov is, hoewel hij vreest dat Bulgarije langzamerhand “in de achterliga” terechtkomt, optimistisch over nieuwe verkiezingen. “Onze analyse toont dat er een coalitie mogelijk is met de Agrarische partij en de Turkse. Dit volk is niet zo blind. Het heeft gezien dat de socialisten een anti-sociale politiek hebben verdedigd.”

Het is onduidelijk of Bulgarije op die manier uit de huidige malaise kan komen. Want het gevolg van het geruzie in het parlement is dat het grote publiek zijn belangstelling voor vrije verkiezingen heeft verloren. “Ik vrees”, zegt Nina Venova, “dat als er vervroegde verkiezingen komen niet veel mensen zullen opdagen.”