Swingende jonge held in sprookje van 1001 nacht

Aladdin. Regie: John Musker & Ron Clements. Met de stemmen van Robin Williams, Scott Weinger, Linda Larkin, Jonathan Freeman, Gilbert Gottfried. In 15 theaters.

Met de stemmen van Pierre Bokma, Bart Bosch, Laura Vlasblom, Gees Linnebank, Bram Biesterveld, onder regie van Arnold Gelderman. In 85 theaters.

Nadat er al veel te lang was ingeteerd op oude successsen als Sneeuwwitje (1937) en Jungle Boek (1969) en er in de jaren zeventig veel te behaagziek was gelonkt naar trends en modes, herrees het Disney-animatie-imperium uit zijn as: in 1989 verfilmde men Andersens sprookje De kleine zeemeermin op de 'ouderwetse' manier: romantisch, met aanstekelijke liedjes, met onweerstaanbare figuren, en in de vakbekwame, zorgvuldige, spetterende, aan de verder overal verketterde filmmusical schatplichtige stijl die Disney vanaf het begin tot zijn handelsmerk had gemaakt. De resultaten zijn bekend: op het immense succes van De kleine zeemeermin volgde het nog grotere succes van Belle en het Beest. Nu, met Aladdin, een adaptatie van een van de Arabische Sprookjes van 1001 Nacht, bewijzen de Disney Studio's voor de derde achtereenvolgende keer dat wijlen Walt Disney gelijk had: het is mogelijk om een avondvullende animatiefilm te maken die zo flitsend, roerend, elegant en spannend is dat hij zich niet alleen kan meten met menige speelfilm maar bovendien voor iedereen aantrekkelijk is: ook voor een volwassen publiek dat een avondje uit wil.

Met Aladdin waagden de Disney-studio's weer een stap verder: deze film moest niet alleen serieus genomen kunnen worden door de ouders van het sowieso toestromende jeugdige publiek en hun zussen, hij moest ook behagen aan de volwassen broers - het moeilijkste publiek voor een tekenfilm. Ook al is ze een prinses, dit maal is er alleen een fletse bijrol weggelegd voor het bekende groot-ogige, romantisch gestemde tienermeisje. Aladdin draait om een swingende jonge man, eentje die praat met het accent en de uitdrukkingen van populaire jonge televisiesterren. Hij is verliefd, dat wel, maar in de eerste plaats is hij een charmante blaag die avonturen beleeft in de stijl van Indiana Jones: razendsnel, exotisch en levensgevaarlijk. De moraal van zijn verhaal is dat je jezelf moet durven zijn, en die moraal wordt onafgebroken geloochend terwille van de gein. Want naast Aladdin opereert de Geest uit de olielamp, een hilarische gigant die niet anders doet dan keten door andere gedaantes aan te nemen. Behalve met de vervulling van drie wensen staat hij Aladdin vooral terzijde als een originele vriend met wie je lol kunt trappen. Tegenover zich vinden zij Jafar, grootvizier van de Sultan. Getekend in de dreigend omhooggerekte lijnen van de Jugendstil van Aubrey Beardsley en gekleed volgens de stijl van Erté werd hij een uitnemend geslaagde, kille schurk, die ik op dezelfde eenzame hoogte durf te plaatsen als Sneeuwwitjes boze stiefmoeder. Voeg daarbij verrukkelijke bijfiguren als een verlegen vliegend tapijtje en twee onvergelijkelijk vormgegeven songs die je direct loopt te fluiten, en er lijkt een nieuwe klassieker geboren.

Waar het Aladdin echter aan ontbreekt is een eigen, besloten sfeer die eerdere films zo apart maakte. Voor de kleine zeemeermin werd er een autonoom universum onder water gecreëerd en Belle had onmiskenbaar haar wortels op het Franse platteland rond de eeuwwisseling. Aladdin woont in een Arabisch milieu aan het begin van onze jaartelling, tenminste van de buitenkant bezien. Maar zijn omgeving werd ingekleurd door westerse satire op oosterse zeden en zowel Aladdin als zijn prinses en vooral de Geest zijn types die thuishoren aan de hedendaagse Amerikaanse Westkust. Dat is amusant, maar maakt de film minder bijzonder. Een andere gratuite gooi naar gemakkelijk effect zijn de talloze 'gastrolletjes', die voornamelijk dienst lijken te doen om ook het snel verveelde zap-publiek te boeien. Dat mag dan trots constateren welke figuren uit eerdere Disney-films het weet te herkennen. Daarenboven kan het pochen wie het allemaal heeft bespeurd in de vele manifestaties van de Geest.

De gedaanten van de Geest zijn exclusief Amerikaans geïnspireerd - van Ed Sullivan en Jack Nicholson tot, lees ik, Arsenio Hall en de politieke commentator William Buckley. Wie daar ten volle van wil genieten doet er goed aan te kiezen voor een theater waar de originele versie van Aladdin wordt vertoond, want dan krijgt hij de vocale imitaties erbij die de komiek Robin Williams als de stem van de Geest ten beste gaf. Wie zo verstandig is lak aan te hebben aan het idee 'film-als-raadseltrommel', gaat de Nederlandse versie van Aladdin bekijken. De acteur Pierre Bokma sprak de Geest in en hij deed dat zo wendbaar, zo inventief en zo onbevangen beantwoordend aan alle gestalten die die geest aanneemt dat hij niet onderdoet voor Robin Williams. Integendeel. Door de manier waarop hij voor de types die hier onbekend zijn een woeste verzameling accenten en stembuigingen schiep, overtrof hij hem zelfs. Meermalen lijkt het of de Geest niet hem, maar hij de Geest heeft kunnen betoveren: dan krijgt de Geest namelijk het gezicht van Pierre Bokma.