Subtiele tekeningen uit de Goelag zonder gruwelbeelden

Images of the Gulag. Georganiseerd door het Tweede Wereld Centrum in Amsterdam. Veilingzaal, Beurs van Berlage, dagelijks 13.30-17.30u. Tot 10 december.

AMSTERDAM, 24 NOV. In 1942 maakte A. Stogova in een Mordovisch werkkamp voor haar dochtertje een lappen pop, gekleed in groen bewakersuniform, met verleidelijke krullen en een felrode mond. Model stonden de bewaaksters die het meisje voortdurend om zich heen moet hebben gezien in het strafkamp, waar ze met haar moeder als 'dochter van een vijand des volks' haar jonge jaren sleet. Maar als om haar dochter te leren dat het in het leven om heel andere dingen gaat dan prikkeldraad, honger en kou, maakte Stogova ook nog een beeldschoon Cupidootje met kleine witte vleugeltjes op het blote lijf. Je ziet de kinderspelletjes al voor je, van de Liefdesengel, die het hart van prikkeldraad van de Boze Bewaakster met zijn pijl en boog doet ontdooien.

Het eerste wat bij de tentoonstelling Art of the Gulag opvalt, is het totale gebrek aan gruwelbeelden van uitgemergelde gevangenen. Aan de tekeningen is nauwelijks af te zien dat ze ontstaan zijn in de honderden strafkampen van de Sovjet-Unie, die door Aleksandr Solzejnitsyn ooit de Goelagarchipel zijn gedoopt. Goelag is de afkorting voor Staatsbestuur der strafkampen, maar dat weet in Rusland bijna niemand meer. Goelag staat in het Russisch nu simpelweg voor het strafkampenimperium, dat inmiddels, net als de Sovjet-Unie, drastisch is ingekrompen, maar nog steeds een bevolking van vele honderdduizenden gevangenen kent.

Hoeveel mensen er in de Stalintijd in de kampen zijn omgekomen, is nog steeds een twistpunt voor historici, maar dat het er een paar miljoen zijn geweest, wordt inmiddels door de meest verstokte 'fellowtraveller' wel erkend. Een van de eerste kinderen van de glasnost was Memorial, een organisatie voor slachtoffers van het stalinisme, die nu al een paar jaar onvermoeibaar zoveel mogelijk feiten over de kampen boven water probeert te krijgen. Dat was in het begin een moeizame strijd tegen onwillige partijbureaucraten en een uitermate vijandige KGB. Maar Memorial hield vol, gesteund door dissidente coryfeeën als Andrej Sacharov en Sergej Kovaljov. Steeds dieper wist ze door te dringen in de verlaten Stalinkampen in Siberië en in de ontluikende KGB-archieven. Zonder noemenswaardige financiële middelen en gedreven door de behoefte het verhaal van alle naamloze slachtoffers te vertellen, hebben ze zo heel wat materiaal aan de toendra en de vergetelheid weten te ontrukken. Het blijft nog steeds een grof schandaal dat de overheid de reconstructie van de geschiedenis aan een handvol vrijwilligers overlaat.

In de Beurs van Berlage toont Memorial het werk van een aantal kunstenaars, die tijdens het stalinisme in de Goelag zijn beland. De tekeningen zijn vaak ontroerend subtiel en uiteraard zonder noemenswaardige technische hulpmiddelen tot stand gekomen. Zo tekende de Est Yülo Sooster in 1950 in Karaganda (Kazachstan) drie kaalgeschoren gevangenen die, liggend op de grond, naar een vage vrouw aan de andere kant van het prikkeldraad turen. 'Honger naar liefde' krabbelde hij onder de tekening. En M. Sokolov maakte met uiterst primitieve middelen een paar prachtig nevelige, postzegelgrote landschapjes, die hij 'Wolven', 'Bootjes', 'Oranje Bomen' en 'Somber Bos' doopte. In 1939 tekende hij ook nog een zeer fraai 'Zelfportret met Tulband' van vijf bij tien centimeter. Van L. Pokrovskaja zien we een serie vrouwenportretten uit een kamp voor vrouwen van landverraders in Akmolinsk. En wat moet er door het hoofd van B. Svesjnikov gespeeld hebben toen hij in 1947 in Oechta benoorden de Poolcirkel pentekeningen maakte met verheven onderwerpen als Ahasverus en Tannhäuser?

Dat de tekeningen zo onnadrukkelijk zijn, heeft verklaarbare redenen. Maar voor de onvoorbereide Nederlander schiet de informatie te kort om het drama in zijn ware omvang te beseffen. Van de meeste mensen is bekend wie ze waren en waarom ze ooit zijn opgepakt, maar de toeschouwer komt het helaas niet te weten.

Zo tonen de melancholieke aquarellen van de kunsthistoricus G. Wagner bijvoorbeeld een schip in de ijzige Nagajevo-baai in de zee van Ochotsk. Het zou geen kwaad kunnen als daarbij verteld zou worden dat dit schip op weg was naar het beruchte Magadan, de toegangspoort naar de goudmijnen van Kolyma, waar honderdduizenden zijn doodgevroren. Hier kwam jarenlang schip na schip vol uitgehongerde gevangenen uit Vladivostok aan. Op een van die schepen stierf Osip Mandelstam.

Wagner heeft het er trouwens levend vanaf gebracht. De Russisch-talige catalogus van de tentoonstelling, zoals die in 1990 in Moskou is gehouden, vermeldt dat Wagner (geboren in 1908) in 1937 als medewerker van het streekmuseum van Rjazan werd gearresteerd omdat hij zich had uitgesproken tegen de bemoeienis van Stalins rechterhand Kaganovitsj met de megalomane architectonische reconstructie van Moskou. Na vijf jaar Kolyma kwam hij vrij. In 1949 werd hij opnieuw gearresteerd en verbannen. In 1956 werd hij gerehabiliteerd. Het is jammer dat dit soort kleine biografietjes de Nederlandse toeschouwers onthouden worden, want ze tonen haarfijn de absurditeit aan van het systeem, met welks angstaanjagende naweeën Rusland nog steeds worstelt.

    • Laura Starink