Seks, verderf en dood bepalen furieus de toon in nat bacchanaal

Voorstelling: Joko (fête son anniversaire) naar Roland Topor door Blauwe Maandag Compagnie. Regie: Luk Perceval. Decor: Johan Dehollander. Spel: Peter Van den Begin, Gilda de Bal, Els Dottermans, Ilse Uitterlinden e.a. Gezien: 23/11, Rotterdamse Schouwburg. Nog te zien: t/m 22/1 in België en Nederland.

“Il y a des limites”, kreet uit de ouverture van Roland Topors Joko fête son anniversaire, moet de leidraad geweest zijn voor Luk Percevals enscenering bij het Gentse gezelschap Blauwe Maandag Compagnie. Dat zullen we nog weleens zien, moet de regisseur gedacht hebben, en als er inderdaad grenzen zijn, dan ga ik ze overschrijden. Hij heeft zich er zelfs zo weinig van aangetrokken, dat Topors oorspronkelijk als roman geschreven en later door de auteur zelf tot toneelstuk bewerkte Joko nog slechts als uitgangspunt gediend heeft. Gehandhaafd zijn eigenlijk alleen de scène-titels, die steeds op ironische wijze naar de handeling vooruit wijzen.

Dit alles klinkt vrijmoediger dan Percevals ingreep is, want Topors werk lokt eigenzinnige interpretaties als het ware uit. Hij heeft een symbolisch-absurdistisch stuk geschreven waarvan niet zozeer het idiote verhaal als wel de sfeer en strekking van belang zijn. Titelfiguur Joko werkt op een waterreservoir en wordt op weg naar zijn werk door onbekenden - een grijsaard, een sexy vrouw - op zijn nek gesprongen. Hij weet te ontkomen aan zijn belagers, maar het incident is het begin van een reeks nachtmerrie-achtige gebeurtenissen, waarvan seksualiteit, wreedheid, verderf en de dood de toon bepalen. Joko is bij wijze van spreken een vervolg op Wedekinds Frühlingserwachen: na de schuldeloze jeugd rest ons alleen nog destructie, een droeve voltooiïng van een van heimwee doortrokken bestaan.

Perceval en zijn groep hebben het stuk vorm gegeven als een vervolg op hun succesvolle voorstelling Wilde Lea, uit 1991. Was die een staaltje van onvervalst Vlaams schlagertoneel met vette effecten, deze Joko is subtieler en ontoegankelijker. Het is zelfs je reinste avantgarde. Naast de episode-titels is het 'water'-motief, verwijzend naar het reservoir, overgebleven en, sterker nog, bepalend geworden voor de hele voorstelling. Een tuinslang en grote glimmende emmers zijn de voornaamste rekwisieten op het tot een ondiep bassin omgebouwd toneel. Een projectiescherm waarop Benneton-achtige foto's vertoond worden, vormt de achtergrond. De diffuse, sferische aanpak van de reclamecampagnes van deze textielfabrikant lijken Perceval geïnspireerd te hebben. Er wordt niets specifieks betoogd, wel allemachtig veel, en met (letterlijk) veel tam-tam gesuggereerd.

De momenten van rust zijn zeldzaam en lijken slechts ingevoegd ten behoeve van het contrapuntische ritme van een hels en vooral nat bacchanaal. In overwegend wit licht geven de spelers zich over aan wanordelijke dans, schreeuw-, scheld-, en neukpartijen, die consequent doorkruist worden door agressie jegens Joko, gespeeld door Peter Van den Begin. Als een geofferde christusfiguur hangt hij aan het slot druipend boven het toneel, de anderen verdwijnen dan schielijk in de coulissen.

Dat is de ietwat als een anti-climax ervaren ontknoping van een grenzeloos spektakel, waarvan het aplomb hogelijk verbaast. Al dat vertoon van - ja, van wat? De vorm van Joko is los van de eventuele inhoud een volstrekt eigen leven gaan leiden. Duiding wordt tot nader order uitgesteld. Erg is dat niet, wel opmerkelijk. Maar dat is de voorstelling gelukkig ook, ik heb me althans geen moment verveeld. Joko is een soort excentriek cabaret.

    • Pieter Kottman