Gaatjesdragers

Gisteren kreeg ik het met prof. Van der Zwaan over eencelligen. Voorbeeld: de orde der Foraminiferen, gaatjesdragers. Zij maken trosvormige schelpjes aan. Uiteindelijk, vaak bij volle maan, trekt het protoplasma zich samen in één kamertje. Het wordt verdeeld in klontjes, die allemaal iets meekrijgen van de moederkern, zodat ze zelfstandig verder kunnen.

Formeel genomen is de gaatjesdrager dan dood. Maar het stoffelijk overschot bestaat bijna geheel uit nageslacht. Verder blijft, ter eeuwige herinnering, alleen een schelpje over. Ja, zo zou iedereen wel willen sterven.

Bij experimenten tonen zulke dieren een grote vitaliteit. Je kunt ze dertig dagen lang het ademen beletten, je kunt met zuur hun kalkschaal wegbranden - ze leven vrolijk door. In die ene cel ligt een verbluffende veerkracht opgeslagen.

Toch gaan ze dood. Ze sterven als individu en als soort, ze sterven uit. Uitsterven is het oudste gezelschapsspel van de wereld. Over de hele geschiedenis van de aarde gerekend is elke vier jaar een levensvorm, plantaardig of dierlijk, verdwenen. Nu verdwijnen er drie soorten per dag. We beleven tijden met een uitzonderlijk extinctietempo.

“Nou”, zei ik, “dat hebben we dan toch voor elkaar.”

“Dit”, beaamde Van der Zwaan monter, “is zonder precedent. Men vergelijkt de mens wel met een dinosauriër, maar dat is uiterst onheus. De dinosauriërs hebben het echt niet zo slecht gedaan.”