De oorlogs-democratie

New York - Voor landen die in oorlog dreigen te raken komt het ogenblik waarop ze 'overschakelen' op een oorlogseconomie: meer geld voor de bewapening, meer soldaten, meer werk in de defensie, uiterste paraatheid tegen de spionnen, een begin van censuur, men moet op zijn woorden gaan passen, en er is minder geld voor wat het leven aangenaam maakt. Met oorlogseconomieën hebben we genoeg ervaring, maar nu voor het eerst tekent zich in de landen van het Westen een toestand af die we het gloren van een oorlogsdemocratie kunnen noemen.

De Amerikaanse Senaat heeft deze week een omvangrijke wet tegen de misdaad aangenomen. Binnen vijf jaar wordt de politie versterkt met honderdduizend man, de doodstraf wordt uitgebreid tot tweeënvijftig misdaden, er worden tien buitengewoon beveiligde gevangenissen bijgebouwd, strenge verbeteringskampen voor jonge misdadigers opgericht en de vervaardiging, de verkoop en het bezit van een aantal halfautomatische wapens verboden. Deze en nog meer maatregelen gaan over de gegeven periode drieëntwintig miljard dollar kosten. Intussen is de Brady-wet aangenomen, wat betekent dat er tussen de aankoop en het in ontvangst nemen van een handvuurwapen een wachttijd van vijf werkdagen moet verlopen. Dit geeft de autoriteiten het respijt dat nodig is om te controleren of de klant geen strafregister heeft. Gegeven de omvang van het vraagstuk is de praktische betekenis die van een zandkorrel in een vijver, maar de Brady-wet heeft dan ook voornamelijk een symbolische betekenis. Over vijf jaar zal er een elektronisch systeem zijn waardoor de wapenhandelaar na een druk op een toets in zijn scherm kan zien of hij een vroegere delinquent in de winkel heeft. Dat systeem kost tweehonderd miljoen dollar. Het geld voor al deze voorzieningen komt uit andere budgetten, onder andere dat van Al Gore's oorlog tegen de bureaucratie die in de verkiezingscampagne veel geestdrift wekte.

Honderdduizend agenten extra: dat is al bijna een kwart van het leger waarmee de oorlog in de Golf is gewonnen. Reken daarbij de gevangenissen, de pogingen tot ontwapening, het nieuwe informatiesysteem en de noodzakelijke bezuinigingen en er doemt al iets van een oorlogsdemocratie op. Daarbij zouden we een vergissing kunnen maken door te denken dat dit complex van de oorlog tegen de misdaad 'typisch Amerikaans' is. In de Verenigde Staten wordt het allemaal in groter formaat vertoond, scherper en directer dan bij ons, en de Amerikanen hebben bovendien de complicatie van het Tweede Amendement dat iedere burger het recht geeft een vuurwapen te dragen, waarbij de gewapende burgerij dan weer wordt gezien als een garantie tegen de dictatuur. Daar kan men van denken wat men wil, maar dit Amendement wordt nog door waarschijnlijk miljoenen als heilig beschouwd en speelt dus een politieke rol.

Maar het complex is niet typisch Amerikaans; het is algemeen westers. Ook in alle westeuropese landen is het gevangeniswezen in een crisis geraakt en worden de politiemachten versterkt en het strafrecht herzien en is er een drang naar grotere volmachten voor de overheid. Een onderdeel van de Crime Bill dat minder de aandacht heeft gekregen behandelt het lot van immigranten, ook van de legalen: de procureur-generaal zou de bevoegdheid krijgen hen zonder opgaaf van redenen het land uit te zetten als hij in hun aanwezigheid een bedreiging voor de veiligheid zag. Het is een radicale variant van het debat dat in West Europa over immigranten wordt gevoerd.

Zijn de nieuwe maatregelen tegen de misdaad overdreven? In grote Amerikaanse steden is 'misdaad' een eufemisme. De Crime Bill die in feite de afkondiging van een mobilisatie is, betekent de feitelijke erkenning dat daar in sommige districten een soort burgeroorlog aan de gang is: tussen de benden onderling, van de benden tegen de burgerij en van individuele rovers tegen hun toevallige prooi.

Zoals in West Europa komt het publiek nu in opstand. Daaruit ontstaat een verward debat. De 'liberals', de progressieven worden er door de conservatieven van beschuldigd dat ze te tolerant zijn geweest. Links beschuldigt rechts ervan dat het grote stadsgebieden tot achterbuurt heeft laten verworden en daardoor tot haarden van misdaad. Het deel van de commerciële televisie en de filmindustrie dat zich toelegt op het vertonen van veel en extreem geweld wordt verantwoordelijk gehouden. Deze media antwoorden dat links de vrijheid van meningsuiting in gevaar brengt en recruteren experts die het verband tussen vertoond en gepleegd geweld 'niet bewezen achten'. Het gezin en het onderwijs wordt verweten dat een generatie praktisch aan haar lot is overgelaten. Uit een politiek vraagstuk ontstaat een cultureel debat dat zonder einde is.

In deze verwarring blijven twee zekerheden bestaan: dat de misdaad in omvang en ernst toeneemt en dat het verschil tussen het meer of minder welvarende en werkende midden van de samenleving, en de niet werkende onderklasse groter wordt. Het ligt voor de hand dat het een met het ander verband houdt, maar bestrijding van de misdaad is urgenter en lijkt in ieder geval eenvoudiger dan de sanering van de grote steden en het weer in de maatschappij brengen van de onderklasse. Daaruit ontstaat het gevaar dat de westerse maatschappijen hun onderklasse laten groeien terwijl ze het daaruit voortkomende geweld met steeds meer middelen bestrijden. Dat is dan de grondslag voor een 'oorlogsdemocratie' die nu wordt gelegd. Voor politicologen en sociologen zal het fascinerend zijn een nieuwe samenleving zo duidelijk in wording te zien. Voor politici hier moet het niet moeilijk zijn, bij bestudering van het Amerikaanse 'model' de trekken daarvan het herkennen.

    • H.J.A. Hofland