Clinton overtreft in eigen land voorgangers

WASHINGTON, 24 NOV. Zelfs de knorrige Republikeinse oppositieleider, senator Robert Dole, heeft het toegegeven: “Clinton doet het redelijk.” President Clinton ontpopt zich als de presidentiële activist die hij tijdens zijn campagne beloofde te zijn. Een paar weken geleden nog lag hij hevig onder vuur wegens zijn haperende buitenlandse beleid, maar sindsdien heeft hij in het Congres de ene overwinning na de andere behaald.

Terwijl hij in Seattle met Aziatische leiders sprak, keurde de Senaat extra federale strafwetten, een verbod op de verkoop van militaire geweren en het Noordamerikaanse handelsverdrag (NAFTA) goed. Afgelopen maandag maakte hij door twee telefoontjes naar beide partijen een einde aan een staking van stewardessen van de grootste Amerikaanse luchtvaartmaatschappij, American Airlines. Het was een populaire beslissing, want de vliegveldbalies stonden vol wachtende reizigers. Juist in deze week van het feest van Thanksgiving moeten de meeste Amerikanen vliegen.

Nu het Congres voor de rest van het jaar met reces gaat, wordt dit jaar al vergeleken met het eerste presidentiële jaar van Dwight Eisenhower in 1953, Lyndon Johnson in 1965 en Ronald Reagan in 1981. Twee grote overwinningen steken er boven uit: het vijfjarenplan voor de begroting en het Noordamerikaanse handelsverdrag.

Daarnaast zijn er allerlei kleinere wetten aangenomen, zoals vereenvoudigde registratie voor kiezers of studiebeurzen voor jongeren die gedurende vier jaar sociale diensten willen verrichten. Ze waren alle campagnebeloften van Clinton. Zijn enige grote verlies was het stimuleringsplan voor bijscholing en het scheppen van banen in arme stadscentra.

Niet veel presidenten hebben in hun eerste jaar zoveel in het binnenland bereikt. President Bush was rond deze periode bezig met de afwikkeling van de val van de Berlijnse muur. Zijn voornaamste binnenlandse initiatief was een constitutioneel verbod op het verbranden van de Amerikaanse vlag.

Het Witte Huis onder president Carter schokte nog na van het verlies van begrotingsdirecteur en presidentieel vertrouwensman Bert Lance. Stapels voorstellen van Carter lagen bij het Congres te verstoffen. Zijn staf verkeerde op voet van oorlog met belangrijke Democratische Congresleden.

President Reagan had rond deze tijd zijn historische belastingverlaging door het Congres geloodst maar zijn populariteit was toen zelfs nog lager dan die van Clinton nu.

Pag.5: Bill Clinton bewijst van zijn fouten te leren

In zekere zin is Clintons lage populariteit niet in overeenstemming met zijn verrichtingen. Hij mist misschien gravitas maar zijn lage opiniecijfers wijzen ook op de onzekerheid van de Amerikanen. Clintons daadkracht heeft daar geen einde aan gemaakt. Het economische herstel heeft nog weinig nieuwe banen geschapen. In het blad Rolling Stone klaagde Clinton over het geringe krediet dat hij krijgt van de progressieve media voor zijn verrichtingen. Maar van alle Westerse leiders is hij met opiniecijfers van tussen de 45 en de 50 procent nog een van de populairste.

Uit de overwinning met het Noordamerikaanse handelsverdrag blijkt dat Clinton van zijn fouten kan leren. De campagne was kort en intensief en hij zette alles op alles om zijn doel bij het Congres te bereiken. Zijn boodschap over het belang van open grenzen werd overtuigend. Hij keert langzamerhand terug naar de thema's van zijn inaugurale rede, waarin hij ook sprak over de economische onderlinge afhankelijkheid in de wereld. Dat thema heeft hij nog eens uitgewerkt in zijn toespraak in Seattle. De beleidsslogan is nu “economische veiligheid”.

Volgens Richard Neustadt, schrijver van het boek Presidential Power, kost het iedere president ongeveer anderhalf jaar om zijn nieuwe vak te leren. Niets kan hen erop voorbereiden. In hun eerste maanden begaan presidenten blunders. Ook president Clinton heeft een zware leertijd doorgemaakt.

Omdat de Democraten de laatste 24 jaar slechts vier jaar aan de macht zijn geweest, kon hij weinig ervaren personeel krijgen. Resultaat: twee mislukte benoemingen voor minister van justitie, verlies van een economisch stimuleringspakket, een slecht voorbereide beslissing om homoseksuelen tot de krijgsmacht toe te laten, plotseling ontslag van medewerkers van het reisbureau van het Witte Huis dat aan vrienden van Clinton de nieuwe opdrachten gunde, en de mythische haarknipbeurt van 200 dollar in het presidentiële vliegtuig.

Verder waren er de loze dreigingen tegen de Serviërs in Bosnië en de terugtrekkingen uit Somalië en Haïti. De bittere nasmaak van die gebeurtenissen lijkt verdwenen.

Het volgende grote project waar Clinton zich gesterkt aan kan wijden wordt de Uruguay-ronde van nieuwe tariefsverlagingen voor de wereldhandelsbesprekingen. En dan het megaplan voor volgend jaar, de hervorming van de ziektekostenverzekering. Als Clinton daarin zou slagen, zou hij hoog aangeschreven staan als binnenlandse hervormer.

Met een coalitie van Republikeinen en Democraten voor het Noordamerikaanse handelsverdrag NAFTA heeft Clinton het politieke midden, waar hij vorig jaar campagne voor voerde, teruggevonden. Die coalitie kan bij de behandeling van de ziektekostenverzekering weer aan stukken gaan.

Clinton wordt wel geholpen door de vroegere Republikeinse adviseur en pr-specialist David Gergen. Die kwam na de fatale haarknipbeurt van Clinton aan boord. Gergen is eigenlijk de enige professionele hoge functionaris in het Witte Huis. Hij heeft voor drie Republikeinse presidenten, Richard Nixon, Gerald Ford en Ronald Reagan, gewerkt. Hij leidde president Clinton door het mediamijnenveld. Hij maakte het leven wat gemakkelijker voor de correspondenten in het Witte Huis, die aanvankelijk door Clinton waren genegeerd. Toch blijft de organisatie chaotisch. Clinton is een nippertjespresident. Een staflid noemde de NAFTA-overwinning een “bijna-dood-ervaring”.

“Hij wist in het begin zeker niet wat hij deed en op de een of andere manier veranderde hij helemaal niet, speciaal in zijn liefde voor chaos, het soort dat andere mensen uit hun evenwicht brengt.” Dat schrijft Richard Reeves in zijn pas uitgekomen boek over de drie regeringsjaren van John F. Kennedy. Clinton vereert Kennedy en als schooljongen heeft hij hem in 1962 ontmoet. Deze week is de moord op Kennedy, dertig jaar geleden, herdacht. De man van het mythische Camelot wordt steeds populairder. Clinton heeft zich door een van de Kennedy-fotografen in een typische, nadenkende Kennedy-pose laten fotograferen.

De verschillen tussen beiden zijn groot. Allereerst beheerst Clinton de media niet. Clinton en zijn vele imagomakers, pr-specialisten en woordvoerders kunnen niet, zoals Kennedy vroeger, een hoofdredacteur ertoe brengen een verhaal niet te publiceren. Kennedy had een permanente kapper in het vliegtuig, omdat hij wist hoe belangrijk het was om goed voor de televisie te verschijnen. De pers schreef nooit over zijn vele avontuurtjes en over zijn ziektes. Journalisten lieten zich slaafs verhalen dicteren door Kennedy.

Het Watergate-schandaal heeft de gewoonten van de pers veranderd. De president moet over elke minuut van zijn bestaan verantwoording afleggen. Clinton vindt dat buitenlandse vraagstukken hem afleiden van de noodzakelijke binnenlandse hervormingen.

Bij Kennedy was het precies andersom: de burgerrechtenbeweging leidde hem in zijn eerste jaar af van de groeiende confrontatie met Chroesjtsjov. Kennedy's drie regeringsjaren werden er grotendeels door bepaald. En zijn eerste halfjaar verliep rampzalig, met de mislukte aanval op de Cubaanse Varkensbaai, de terugtrekking uit Laos. Voor Kennedy's topontmoeting met Chroesjtsjov smaalde de Franse minister van buitenlandse zaken Couve de Murville: “Het is alsof je aan de wereldkampioenschappen meedoet, nadat je laatste twee sparring partners je knock-out hebben geslagen.” Chroesjtsjov zag hem ook als een zwakkeling en wilde hem daarom uittesten in Berlijn en later met Russische kernwapens op Cuba. Het was een veel gevaarlijker tijd dan nu. Bij elke wereldcrisis schoot Kennedy's populariteit omhoog, want hij was de grote leider met de vinger aan de rode knop.

In de hybride wereld van nu heeft Clintons buitenlandse beleid minder consequenties. Zijn topconferenties met de Russische president Jeltsin of met de Chinese president Jiang Zemin hebben geen duidelijke resultaten. De crisis in Somalië was ook een primeur in publieke opinie: de populariteit van de president daalde. Voor het eerst stelde het Amerikaanse publiek zich niet achter de vlag op. Voor Clinton is het buitenlandse beleid een verlengstuk van binnenlands beleid. Het scheppen van nieuwe Amerikaanse exportbanen in Azië en elders is het hoofddoel. Het wegwerken van de nucleaire dreiging gebeurt nu niet meer door confrontatie en afschrikking, maar door onderhandeling en door economische hulpprogramma's.

Als Koude-Oorlogpresident was John F. Kennedy misschien wel chaotisch maar buitengewoon besluitvaardig. Clinton had moeite met het nemen van besluiten over Bosnië, Somalië en Haïti. Er dreigen daar geen communistische overnames. Als er een Clinton-doctrine is, dan bestaat die uit verwijzing naar de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voor een internationale economische boycot. Dat bij boycots, zoals in Haïti, de onderdanen van de dictator lijden, wordt op de koop toe genomen.

Bij dreigende nucleaire confrontaties zoals in Noord-Korea is Clinton teruggeschrokken voor harde woorden. Voor de kiezers is dat van weinig belang, want Pyongyang is Moskou niet. De kiezers willen goede banen en verlangen terug naar John F. Kennedy. Die droom is volgens een overweldigende meerderheid in november 1963 door een groot complot verstoord.