Universiteiten willen gezien worden als denktank

De universiteiten willen meer politieke aandacht voor hun onderzoek. Vanmiddag overhandigden zij aan Tweede-Kamervoorzitter Deetman het pamflet 'Kennis'.

DEN HAAG, 23 NOV. Het is een contactadvertentie voor de universiteiten. “Hier zijn wij - gebruik ons”, vat voorzitter W.C.M. van Lieshout van de vereniging van Universiteiten (VSNU) het pamflet samen dat zijn vereniging vandaag de wereld inzendt onder de titel 'Kennis'. Het hoger onderwijs vroeg al eerder om meer aandacht: een paar maanden geleden bracht de HBO-Raad een dergelijk pamflet uit.

Met 'Kennis' - ondertitel: 'Het fundament voor de toekomst van Nederland' - willen de universiteiten voorafgaand aan de Tweede-Kamerverkiezingen van volgend jaar de aandacht van politiek en publiek vestigen op hun sleutelrol in de Nederlandse 'kennis-infrastructuur'. Van Lieshout: “Dat is nodig. Er is een toenemende frustratie bij de universiteiten dat discussies over onderwijs en onderzoek zich in de politiek lijken te beperken tot de specialisten in de vaste Kamercommissie. Dat moet veel breder.”

“Politici hebben het steeds vaker over kennis als Nederlandse grondstof”, licht Van Lieshout toe in het VSNU-kantoor in Utrecht. “Laten ze daar dan eens ernst mee maken - dat willen we met dit geschrift zeggen. Ik heb hier nog nooit iemand van Economische Zaken gehad om te praten over het inzetten van universitaire know how voor verbetering van de concurrentiepositie van Nederland.”

De universiteiten willen door de politiek worden gezien als denktanks voor de maatschappij. Van Lieshout: “We kunnen wel blijven spreken over de kwaliteit van het onderwijs, maar het gaat nu om de wijze waarop we omgaan met de produkten van universiteit. De economische crisis, het milieu, de verhouding tussen allochtonen en autochtonen, de gezondheidszorg, het verkeer; in de oplossing voor die en tientallen andere problemen loopt de politiek achter de feiten aan, het paard wordt achter de wagen gespannen. Marginale aanpassingen helpen daarbij niet. Er moeten veel meer netwerken van wetenschap en politiek komen waarin over die dingen nagedacht wordt.”

Als voorbeeld noemt Van Lieshout het verkeer. “Het is misschien een beetje Jules Verne, maar ik kan me voorstellen dat ik over een aantal jaren gewoon in een white car voor mijn deur stap, intoets waar ik heen wil en dat die car zich vervolgens automatisch in het verkeer voegt en mij brengt waar ik moet zijn.”

Van Lieshout vindt dat de politiek visionaire oplossingen van wetenschappers veel serieuzer moet nemen. “Je moet in dit soort zaken niet primair kijken of iets betaalbaar is, dat is pas vers twee. Neem nu de Betuwelijn, daarbij wordt toch gebruik gemaakt van conservatieve verkeersmiddelen om een economisch probleem op te lossen? De enige rol die de universiteiten daarin mogen spelen is dat bij iedere variant een professor wordt gezocht die er al of niet iets in ziet.”

De VSNU wil ook dat universiteiten onafhankelijker worden. Een van de slagzinnen van het pamflet luidt: “De maatschappelijke vraag naar onderzoek en onderwijs is veelkleurig. Dat vergt verregaande profilering van de universiteiten. Het betekent speelruimte om onderling tot differentiatie te komen in functie- en taakstelling en zwaartepunten van onderwijs en onderzoek. Dus: politiek, maak mogelijk dat universiteiten deze eigen keuzes kunnen maken.”

“De politiek heeft de universiteiten zonder meer geremd”, zegt Van Lieshout. “De afgelopen vijftien jaar zaten we in de hoek als de rijke oom waar altijd nog wel wat te halen viel. Nou, dat is op. Er komt een moment dat zelfs een gummibal niet meer meegeeft - dat punt hebben we bereikt.”

Eén ding valt op: de universiteiten vragen niet om meer geld. Van Lieshout: “Bewust niet. We kunnen wel weer in dat bootje springen, maar dat heeft toch geen zin. En daar gáát het ook niet om. Wij willen laten zien: de universiteiten zijn er kláár voor. Nu moet het beleid erop inspelen.”

Toch is er een financiële kwestie die de universiteiten dwars zit. Dat is niet de drie procent die de overheid jaarlijks mag verschuiven in de rijksbijdrage van 2,1 miljard gulden aan het universitaire onderzoek. “Nee, dat is maar een middel dat pas in laatste instantie zal worden gebruikt”, zegt Van Lieshout. Wat de VSNU veel meer hindert is de in totaal ongeveer twee miljard gulden die de diverse departementen op eigen houtje aan onderzoek kunnen besteden. Dat onderzoeksbudget wordt lang niet altijd bij de universiteiten besteed. “Het ministerie van VROM besteedt nu ongeveer 185 miljoen gulden per jaar aan onderzoek. De besteding daarvan moet beter worden afgestemd, de minister van onderwijs zou dat moeten coördineren om ook de continuïteit van de Nederlandse kennisinfrastructuur beter te kunnen garanderen.” Bijvoorbeeld door “een of twee keer per jaar te vergaderen over alles wat de verschillende departementen nu onafhankelijk van elkaar aan wetenschappelijk onderzoek laten doen”.

Ook in 1989 presenteerde de VSNU een oproep aan de politiek. Maar toen was het vooral een aanklacht tegen de aanhoudende bezuinigingen. Dit keer niet. “Waar ziet u een klacht? Wij klagen niet”, aldus Van Lieshout. “De vorige keer was de oproep naar binnen gericht - bezuinig niet meer op ons - dit keer kijken we naar buiten.”