Rinoceros

G.J. van der Zwaan is 41 en professor in de paleo-ecologie - de relatie tussen evolutie en milieu, het hoe en waarom van uitsterven. Hij heeft verstand van eencelligen en dat treft, want daar heb ik geen verstand van. Ik heb er over gelezen, maar kon me er niet veel bij voorstellen. Daarom bekijken we om te beginnen de inhoud van een willekeurig door Van der Zwaan opgediept monsterflesje.

Op het eerste gezicht een hoopje bleek zand. Onder de microscoop echter een complete schelpenverzameling. Verbluffend gave uitwendige skeletjes, ongeveer 0,1 mm groot, gewonnen uit klei van Kreta, een klomp voormalige zeebodem.

Door zulke schelpjes kun je honderd- tot driehonderd miljoen jaar terugkijken. De bewaarde buitenkant geeft een idee van het levende dier. Uit deze futiele dingetjes kan de hele wereld worden gereconstrueerd. Hoe warm was het toen? Hoe diep was de zee? Hoe was het leven in die zee? De ins en outs van al dat uitsterven dus.

Van der Zwaan: “Ze maken reclame voor de rinoceros. Maar die doet er weinig toe. Het opwindende is dat heel veel natuurlijke processen worden gedragen door uitzonderlijk kleine organismen. En juist de diversiteit van die basale delen wordt nu weer enorm aangetast. Ze zouden reclame moeten maken voor een amoebe, voor de eerste de beste voorbijfietsende bacterie.”

Daarover praten we. In laatste instantie over de rinoceros in onszelf.