Korter werken lonend maken

Opnieuw is de vraag aan de orde of arbeidsduurverkorting het aangewezen middel is om meer mensen aan werk te helpen. Je kunt het idee van herverdeling van arbeid natuurlijk afdoen als een defensieve strategie. Wanneer de Volkswagenfabriek in Duitsland wil overgaan op een vierdaagse werkweek met overeenkomstige inlevering van loon, dan is dat inderdaad niet meer dan een wanhoopspoging om massaontslag te voorkomen.

Je kunt arbeidsduurverkorting ook zien als een welbewuste maatschappelijke keus die logisch voortvloeit uit de technologische ontwikkeling. Voortdurende inspanningen op het gebied van mechanisering en automatisering hebben het mogelijk gemaakt steeds meer produkten te maken in een steeds kortere werkweek. Sinds 1850 is de werkweek verkort van meer dan 100 uur tot iets minder dan 40 uur. Zou die lijn zijn doorgetrokken, dan zou de werkweek nu minder dan 30 uur moeten duren.

Het proces van voortdurende stijging van de produktiviteit per werknemer had gepaard moeten gaan met een evenredige verkorting van de arbeidsduur. In plaats daarvan hebben we de mensen die uit het arbeidsproces werden gestoten, opgevangen in de uitkeringscircuits van WAO, VUT, WW en Bijstand. Je zou dit ook een vorm van selectieve verdeling van vrije tijd kunnen noemen.

Langzaam is het tot ons doorgedrongen dat we de verkeerde keus hebben gemaakt. We slaan nu naar de andere kant door en schrijven de stijgende werkloosheid toe aan het sociale zekerheidsstelsel dat arbeid te duur maakt. Bovendien wortdt het ondernemers en werknemers te gemakkelijk gemaakt om overtollig geworden arbeid te laten afvloeien.

In het Centraal akkoord van 1982 werd de noodzaak van herverdeling van werk erkend. Er werd immers in gezegd “dat ook bij herstel van de economische groei het op middellange termijn niet mogelijk zal zijn de gehele beroepsbevolking alsmede de aanwas daarvan, in de komende jaren aan werk te helpen. Een beleidsaanpak over meerdere jaren is geboden, gericht op een betere verdeling van de bestaande werkgelegenheid.”

In strijd met deze aanbeveling is de arbeidsduurverkorting beperkt gebleven tot een verkorting van de gemiddelde werkweek tot 38 uur. Verdere stappen op die weg werden geblokkeerd door de werkgevers en door de afnemende belangstelling van de werknemers, die moesten vaststellen dat de kortere werkweek niet leidde tot voldoende herbezetting.

De regering heeft inmiddels de bakens trachten de verzetten door de nadruk te leggen op volumebeleid onder het motto vergroting van de arbeidsparticipatie. Ze is tot het inzicht gekomen dat de groeiende wanverhouding tussen actieven en niet-actieven het draagvermogen van verzorgingsstaat overbelast. Vergroting van het verschil tussen verdiende lonen en uitkeringen, loonmatiging, goedkoper maken van arbeid aan de onderkant van de arbeidsmarkt worden nu gezien als middelen om meer mensen aan banen te helpen. In feite is dit ook herverdeling van werk bij gelijkblijvende produktie.

Volledige werkgelegenheid heet nog altijd het doel te zijn van het sociaal-economisch beleid. De overheid neemt echter niet langer de verantwoordelijkheid voor het streven, maar laat het over aan de markt. Ze volstaat met het nemen van maatregelen om de arbeidsmarkt soepeler te laten werken.

We beleven de omkering van een beleidsfilosofie: de verzorgingsstaat, die wij na de oorlog hebben opgebouwd, was gebaseerd op het idee van volledige werkgelegenheid en volledige verzorging. Nu draaien we de relatie om door te stellen dat afslanking van de verzorgingsstaat de voorwaarde is voor het bereiken van volledige werkgelegenheid en dat volledige verzorging een overbodige luxe is.

Een vakbeweging heeft inmiddels generieke arbeidsduurverkorting als prioriteit ingeruild tegen het streven naar volwaardige deeltijdbanen. Dit is een reactie op de opkomst van “pulparbeid” en flexibele contracten die buiten de werkingssfeer van de cao vallen. De vakbeweging kiest hiermee voor een benadering die haar in staat kan stellen greep te krijgen op het samenstellen van werkroosters in bedrijven en te voldoen aan de individuele behoeften van de werknemers. Ze hoopt haar positie op bedrijfsniveau te kunnen versterken door op decentraal niveau te onderhandelen over de organisatie en verdeling van het werk. De 'centrale agenda' voor het cao-overleg die werkgevers en werknemers twee weken geleden in de stichting van de arbeid vaststelde lijkt daarvoor, althans op papier, een opening te bieden.

Ik kan niet nalaten een idee van een lezer door te geven. Het is van ir. L. Weide, van beroep ergonoom, ontwerper van werkplekken die arbeidsongeschiktheid voorkomen. Hij stelt voor verkorting van de werkweek aantrekkelijk te maken door het invoeren van een schijventarief voor sociale premies, dat niet gebaseerd is op de hoogte van het inkomen, maar op de duur van de werkweek. De laagste schijf moet dan gelden voor de 'normale' werkweek, die elk jaar met een uur zou kunnen worden verkort. De werkgever en werknemer die langer willen werken, komen in een veel hogere schijf terecht en betalen dus meer premie. Dit schijventarief ziet hij als een sturingsmiddel om geleidelijk naar een werkweek toe te groeien die een maatschappelijk aanvaardbaar werkgelegenheidsniveau mogelijk maakt.

Ik vind dit nog niet zo'n slecht idee. Korter werkend wordt lonend gemaakt. Ook het Belgische crisisplan voorziet in een forse verlaging van de sociale lasten als werkgevers door middel van herverdeling van werk meer personeel weten aan te trekken. Het lijkt wel vast te staan dat aan arbeidsduurverkorting niet te ontkomen valt als wij structurele massawerkloosheid willen voorkomen.