Immigratie was altijd al een onbeheersbaar proces

Nederland is dicht bevolkt. Maar is het nu ook vol? Het is een van die zinloze vragen, die als een repeterende breuk steeds blijven terugkomen. Het eerste dat bij deze vraag opvalt is dat niet duidelijk is of wij het over staten of andere regionale eenheden hebben. Het koppelen van bevolkingsdichtheid aan de staatsgrens is willekeurig. Veel staten kennen enerzijds heel dicht bevolkte en anderzijds heel dun bevolkte gebieden. Wat is de betekenis van een gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer in zo'n geval?

Het opvallende aan dichtbevolkte gebieden is dat zij in economisch, sociaal en cultureel opzicht aantrekkelijker blijken dan dun bevolkte gebieden. Nu de mobiliteit van de mensen is toegenomen, raken de volle gebieden voller en de lege gebieden leger. Frankrijk is geen dicht gevolkt land, maar de bevolking is geconcentreerd in enkele grote centra, terwijl de dorpen in dun bevolkte gebieden ontvolkt raken. Zweden tracht al jaren tevergeefs met enorme subsidies de leegloop van het platteland tegen te gaan. Zelfs in het kleinschalige Nederland doet zich dit concentratieverschijnsel voor. Wie bereid is zich te vestigen in één van de Friese kleine dorpen hoeft de eerste maanden geen huur te betalen. Het volle Nederland is op sommige plaatsen kennelijk te leeg om aantrekkelijk te zijn.

De vraag of een land of een gebied te vol is, is niet te beantwoorden. Veel vruchtbaarder is het uit te gaan van de bevolkingsdynamiek en zich af te vragen welke consequenties deze heeft. Iedere samenleving heeft te maken met geboorte, sterfte, vestiging en vertrek en deze componenten zijn nooit precies in evenwicht. Iedere samenleving heeft dan ook wel op één of andere wijze een bevolkingsproblematiek. Het kenmerkende van demografische processen is dat het lange-termijnprocessen zijn. Zij zijn, zeker op korte termijn, onbeheersbaar.

In Nederland hebben wij met twee van deze bevolkingsproblemen direct te maken. In de eerste plaats met de 'vergrijzing' waardoor een steeds groeiend deel van de bevolking uit bejaarden gaat bestaan. Vergrijzing is, anders dan men op het eerste gezicht zou denken, geen gevolg van een gestegen levensverwachting, maar van het ontbreken van voldoende geboortes om het evenwicht te handhaven. Met groeiende bevolkingen hebben we enige eeuwen ervaring. Maar met uitstervende bevolkingen uiteraard niet. Daarom is het moeilijk te zeggen tot welk niveau de last van een groeiend aandeel bejaarden in de bevolking te dragen is. Het is duidelijk dat de Westeuropese landen op dit vlak na de eeuwwisseling met een enorm structureel probleem zullen worden geconfronteerd. Het beslag dat de bejaarden dan op bijvoorbeeld de huisvesting en de medische zorg zullen leggen, zal een enorme inkomensoverdracht vergen. Beheersbaar is het probleem niet. Zelfs als de vruchtbaarheid als bij toverslag vijfentwintig procent zou stijgen, zou het nog jaren duren eer de bevolking weer een evenwichtige leeftijdsopbouw heeft. Men kan alleen maar hopen dat het probleem hanteerbaar blijft.

Het tweede probleem dat in dit verband de aandacht vraagt is dat van de immigratie. In Nederland is het aandeel van immigranten in de samenleving vergeleken met de ons omringende landen beperkt. Maar het gaat meer om het tempo waarin dit aandeel toeneemt dan dat de immigratie op zichzelf zo'n probleem zou vormen. Immigranten doen een beroep op huisvesting, medische zorg en onderwijs en vormen in die zin een 'kostenfactor'. Daar staat tegenover dat zij 'baten' opleveren wanneer zij in het arbeidsproces worden betrokken. Omdat er allerlei soorten migrantenstromen zijn (arbeidsmigranten, gezinsherenigers, vluchtelingen) is het onmogelijk vast te stellen hoe het geheel van kosten en baten er uitziet. Bovendien varieert dit sterk in de tijd. Als Nederland in een hoogconjunctuur zou verkeren, dan zouden net als in de periode 1964-1973, de immigranten snel in het arbeidsproces worden opgenomen. Op het ogenblik is juist de inschakeling op de arbeidsmarkt een probleem.

Anders dan bij het probleem van de vergrijzing wekken regeringen in het geval van immigratie de indruk dat het een beheersbaar proces is. De geschiedenis leert dat dit niet het geval is. Nederland kon noch de migratie van 'gastarbeiders' uit Turkije en Marokko, noch de migratie uit Suriname beheersen. Ook Frankrijk en de Verenigde Staten, om twee willekeurige andere voorbeelden te noemen, zijn er nooit in geslaagd het migratieproces te beheersen. Enig effect zal er van alle visummaatregelen, verblijfsvergunningenstelsels, grenscontroles en uitzettingen wel uitgaan, maar de doelstellingen van het migratiebeleid worden nooit gehaald. Over het algemeen leidt het aanscherpen van de wettelijke maatregelen niet zozeer tot een afname van de migratie, maar tot het ontstaan van een 'illegalen-probleem'. Strenge regels afkondigen is wel mogelijk, ze in een moderne rechtsstaat ook effectueren, blijkt iedere keer weer heel moeilijk, zo niet onmogelijk.

Toch hoeft de geringe beheersbaarheid nog niet te betekenen dat het migratieproces ook onhanteerbaar is. De opvang van ongeveer 200.000 Indische Nederlanders in de jaren vijftig, vormde zeker een groter probleem dan de door de burgeroorlogen in Bosnië en Somalië plotseling gezwollen stroom vluchtelingen nu. Juist als bij het probleem van de vergrijzing hangt ook hier de hanteerbaarheid nauw samen met de politieke bereidheid de consequenties van het proces te dragen. Ook in dit geval kan niemand aangeven waar die grenzen precies liggen. Het enige dat men met zekerheid kan zeggen is dat hoe groter een bevolking, hoe groter ook het vermogen om immigranten in de samenleving op te nemen. Het gaat immers, zoals bij alle bevolkingsvraagstukken, in de eerste plaats om de relatieve en niet om de absolute omvang. De hanteerbaarheid van het vraagstuk hangt in feite af van het vermogen van het politieke centrum om de opgave als een 'nationale zaak' te definiëren, waaraan niemand zich kan onttrekken.

Het beangstigende van de huidige discussies is dat zij de lokale bestuurder een alibi verschaffen om het probleem door te schuiven, daardoor wordt het inderdaad onoplosbaar. De politiek is verzeild geraakt in een paniekerige discussie over de beheersbaarheid van het proces. Veel van wat daarbij te berde gebracht is over 'veilige landen' en 'opvangen in het eerste land van aankomst' getuigt van een onvoorstelbare naïviteit of een ongehoord cynisme. De huidige discussie zal dan ook zeker niet leiden tot een grotere beheersbaarheid van het migratieproces, maar wel de hanteerbaarheid van het immigratievraagstuk veel moeilijker, zo niet onmogelijk maken. Het is jammer dat de verkiezingskoorts bij de politici zo hoog is opgelopen, dat zij zich niet meer realiseren dat er ook na de verkiezingen nog bestuurd moet worden.

    • J.M.M. van Amersfoort