Geluk

Cees Buddingh, een interessante publicist uit Dordrecht die helaas niet meer onder ons is, heeft eens geschreven - zij het onder schuilnaam - dat sommige mensen zouden sterven van verdriet wanneer men hun hun ongeluk afnam. Intussen had ver tevoren Shakespeare al opgemerkt dat hij niet erg gelukkig zou zijn als hij kon zeggen hoe gelukkig hij was. Op hen afgaande zijn geluk en ongeluk toestanden en ook gevoelens. Die soms nauwelijks onder woorden kunnen worden gebracht.

Dit soort gedachten overviel mij toen ik een paar spelers van het Nederlands elftal in de kleedkamer te Poznan zag zitten. Eerst kwam Ed de Goey in beeld. Hij zat erbij of zijn ploeg zojuist met 6-0 was afgedroogd en hij daarbij ten minste driemaal een rollertje tussen de bevende benen had laten doorglippen. Ging hij een feestje bouwen? vroeg de interviewer. Ed keek even op uit zijn gepeinzen en trok een smartelijk gezicht. Feestje bouwen? Hij zag er kennelijk de noodzaak niet van in. Vervolgens werd de succesvolle schutter Dennis Bergkamp onder de schijnwerpers geplaatst. Ook hij bleek de wanhoop nabij. Hij deelde met een afgezakt gezicht mede wel degelijk blij te zijn, maar het kostte ons de grootste moeite in die verklaring te geloven.

Het gekke is dat alle spelers, zo niet overborrelend van geluk, dan toch op zijn minst zeer tevreden moeten zijn geweest met hun toestand op dat moment. Oranje plaatste zich voor de eindronden van het wereldkampioenschap, waarbij de kans heel groot is dat beiden daar van de partij zullen zijn. De Goey is sowieso aan een voortreffelijk seizoen bezig en Bergkamp had zojuist een van de mooiste doelpunten uit heel zijn verdienstelijke carrière tot stand gebracht. Allemachtig! - als je dan geen blijheid kunt tonen ben je toch wel een ongelooflijke dooie diender. Dat moet het dus zijn: het bestaat niet dat de uitslag en de plaatsing hen niets deden, maar ze hebben geen behoefte om hun blijdschap te tonen of... ze kunnen het niet.

In de eerste interland van Oranje ooit gespeeld (30 april 1905) in Antwerpen speelde Dirk Lotsy mee. Hij was een oom van Karel en dermate in zijn sas met de 4-1 overwinning dat hij op de terugreis (per trein) vele malen een rondedans ten beste gaf. Tot op het perron van Roosendaal toe, maar hij beperkte zich vocaal tot slechts enkele woorden: “Het is kollesief”. Hoewel het vermoedelijk geen goed Nederlands was, begreep iedereen hem volkomen. Bovendien herhaalde hij die kreet tot Dordrecht aan toe.

Nu was dat in de tijd van het hobbyïsme in de voetbalsport. Maar jongens als Roel Wiersma waren in de jaren vijftig ook dolblij met een lekkere prestatie en zeker als er ook nog een overwinning aan vast zat. Ik zou zo graag anno de jaren negentig een befaamde speler openlijk blij willen zien na een wedstrijd. Gelukkig zelfs - al is dat een groot woord. Zijn ze soms zo bang voor negatieve publiciteit dat ze alle spontaniteit wegstoppen en met een neutraal gezicht, een fletse blik en een onbeduidend antwoord alles in het grauwe midden willen laten? Of werden ze bij het wakker worden de volgende morgen pas doorstroomd van een groot geluksgevoel? Ik weet het niet. Wist ik het maar.

    • Herman Kuiphof