Geldschieters sluiten Kenia aarzelend weer in de armen

NAIROBI, 23 NOV. Kenia heeft zijn status als lieveling van het Westen in zwart Afrika verloren. De Westerse donoren besloten gisteren in Parijs hun hulp, voornamelijk betalingsbalanssteun, na twee jaar te hervatten, zo melden het Franse persbureau AFP en diplomatieke kringen in Kenia. Maar Kenia werd wel een proeftijd opgelegd. Grote sommen geld zoals voorheen zal het Westen niet meer zonder strenge voorwaarden naar Kenia sluizen. Het Westen gaf in de afgelopen twee jaar wél hulp voor ontwikkelingsprojecten - ruim 500 miljoen dollar vorig jaar - maar ook deze projecthulp neemt af. President Daniel arap Moi geniet tegenwoordig geen hoog aanzien meer onder Westerse diplomaten. Maar belangrijker nog: het Westen wil geen grote hulpbedragen meer uittrekken voor Afrika en daar is ook Kenia slachtoffer van geworden.

Toen precies twee jaar geleden Kenia's donoren in Parijs voor zes maanden 350 miljoen dollar aan snel te distribueren hulp opschortten, leek dit een tijdelijke ruzie tussen twee geliefden. Moi haaste zich om het méér-partijenstelsel te introduceren en hij kondigde enkele economische hervormingen aan. Daarmee leek hij tegemoet te komen aan de Westerse eisen. Maar het was het Westen dit keer menens, het eiste méér dan een gebaar van goede wil. Kenia kon niet meer, zoals ten tijde van de Koude Oorlog, rekenen op vrijwel onvoorwaardelijke steun.

Kenia moest zijn economische en politieke systeem grondig hervormen. Ten dele, en onder protest, heeft de Keniase regering dit in de afgelopen twee jaar gedaan. Ze stond oppositiepartijen toe en de economie werd geliberaliseerd. Handel en wisselkoersen werden ontdaan van stricte overheidscontroles, de hoeveelheid geld in omloop werd onder controle gebracht en de in- en verkoop van het basisvoedsel mais kwam in privé-handen.

Na elke doorgevoerde maatregel vroeg de regering onmiddellijk aan IMF en Wereldbank om hervatting van de hulp. Toen deze hulp niet kwam, schortte Kenia in maart uit protest zijn IMF-hervormingsprogramma op. Dat dreigement werkte niet. Het Westen haalde zijn schouders op en handhaafde zijn stopzetting van hulp. Na enige verzoenende gebaren van beide zijden besloot de regering, zonder daar veel ruchtbaarheid aan te geven, enige dagen later het IMF-beleid opnieuw te adopteren.

Vermoedelijk de grootste concessie deed de regering op monetair terrein. Ze sloot drie zogenaamde politieke banken: de Trade bank, de Exchange bank en de Pan African bank. Deze door hoge, aan het regime gelieerde politici beheerste banken waren niet kredietwaardig, maar konden vrijwel onbeperkt lenen bij de Centrale Bank. De banken waren betrokken bij corrupte projecten van politici of van zakenlui die nauwe banden onderhouden met de regering. Van de politieke banken is alleen de Transnational bank nog open. De aandeelhouders van deze bank vroegen de regering vorige maand om tijd nadat zij nieuw geld in de bank hadden gepompt.

Een van de heetste hangijzers betreft privatisering van ruim tweehonderd staatsbedrijven en inkrimping van de opgezwollen ambtenarij. In 1996, zo belooft de regering, zullen er 48.000 ambtenaren zijn afgevloeid. In berucht corrupte staatsbedrijven als de PTT en de centrale bank werd de top vervangen in een poging de ondernemingen efficiënter te maken.

Aan de meest pijnlijke hervormingen voor het regime is de regering nauwelijks toegekomen: bestrijding van corruptie en introductie van politieke pluriformiteit. Ondanks de talrijke publicaties in de plaatselijke pers over gigantische corruptieschandalen zijn er geen hoge politici in de handboeien geslagen. Het meest onthullende betreft het zogenaamde Goldenbergschandaal. Het bedrijf Goldenberg zou goud en diamanten exporteren en ontving daarvoor als aanmoediging grote sommen geld als voorschot van de centrale bank. Kenia bezit echter nauwelijks goud en diamanten. Er vond dus geen enkele export plaats, de centrale bank kwam niet in actie en het bedrijf heeft de voorschotten niet hoeven terugbetalen. De beschuldigende vinger in dit schandaal is uitgegaan naar vice-president George Saitoti, die tot vorig jaar tevens minister van financiën was.

Kenia's politici zijn meestal tegelijkertijd zakenlui, hoge politici zijn vrijwel allemaal miljonair. De cultuur van corruptie heeft zich de afgelopen tien jaar diep ingevreten in de Keniase samenleving, op hoog en op laag niveau. Ambtenaren en politie agenten vallen voor luttele bedragen om te kopen. Het vertrouwen onder de bevolking voor het overheidsapparaat is nog nooit zo laag geweest. Rechter Fidahussein Abdullah van het Hooggerechtshof waarschuwde vorige week, vlak voor hij onverwacht overleed: “Onze samenleving bestaat goeddeels uit hebzuchtige mensen, uit corruptie, uitbuiting en aanbidders van geld. Laten we dit rottingsproces stoppen. Laten we deze dolzinnige stormloop naar de afgrond stoppen.”

De corruptie in hoge kringen heeft vormen aangenomen vergelijkbaar met Nigeria. Met dit verschil dat Nigeria door zijn olierijkdommen over veel geld beschikt, terwijl Kenia een arm agrarisch land is. De grootschalige diefstal van overheidsgelden heeft in Kenia onmiddellijk negatieve gevolgen voor de nationale schatkist, terwijl er in Nigeria nog voldoende overblijft voor economische ontwikkeling. Leden van de Keniase oppositie hebben zich verzet tegen hervatting van Westerse hulp. Zij voeren als argument aan dat het geld in de zakken van de heersende elite belandt en zo de positie van het regime versterkt. “Als het Westen zijn geld in een bodemloze put wil gooien, moet het vooral de hulp hervatten”, betoogde een lid van de parlementaire oppositie gisteren.

De Westerse donoren hebben de afgelopen twee jaar in hun eisenpakket steeds meer de nadruk gelegd op politieke hervormingen. De officieel geïntroduceerde pluriformiteit laat in de praktijk nog veel te wensen over. Oppositiepartijen klagen over intimidatie en kritische weekbladen worden regelmatig geconfisqueerd. In de ogen van de oppositie, menig Westerse ambassadeur en de katholieke bisschoppen is de regering ten minste gedeeltelijk verantwoordelijk voor de zogenaamde stammenconflicten van de afgelopen twee jaar waarbij ruim duizend doden vielen. De meeste slachtoffers vielen onder de Kikuyu's, de grootste stam die vorig jaar massaal voor de oppositiepartijen stemde. Kleine maar uitgesproken kritische donorlanden als Denemarken en Zweden reduceerden eerder dit jaar hun projecthulp aan Kenia wegens corruptie, de stammenconflicten en de intimidatie van de oppositie.

De grotere Westerse landen Amerika en Groot-Britannië hebben, ondanks hun bedenkingen, Kenia niet langer willen straffen. De vrees voor een burgeroorlog als gevolg van de stammenconflicten en de diepe sociale malaise hebben Kenia dicht bij de afgrond gebracht. Voortgaande stopzetting van hulp zou dit proces kunnen versnellen en daarom is hervatting van de hulp gewenst, zo lijkt de gedachte. Maar daarmee is de traditioneel innige relatie tussen het Westen en Kenia niet hersteld. De Westerse politieke en economische belangstelling gaat tegenwoordig uit naar snel opkomende staten in de regio. Oeganda, Ethiopië en Eritrea worden geregeerd door een nieuwe generatie politici, zijn beduidend minder corrupt en bieden goede investeringsmogelijkheden.

    • John Stone