FALSETSTEM

Het artikel van Paul Luttikhuis over Michael Chance: 'Een zanger met een vrouwenstem' (NRC Handelsblad, 17 november) is te onderbouwen met een aantal fysiologische gegevens.

Iedere mannenstem kan een ander, hoger geluid produceren dan in zijn gangbaar stemgebruik te horen is, bijvoorbeeld wanneer zijn stem 'overslaat' in een fikse schreeuw of een spontane lach. Dan gedragen de stemplooien gedragen zich anders dan bij gewoon spreken: hij schakelt naar zijn 'falsetregister'. Bij gewoon (modaal) zingen vibreert de gehele massa van de stemplooien en raken de stemplooien elkaar bij iedere trilling; bij het falset worden de stemplooien zéér gestrekt, en raken elkaar niet of nauwelijks, terwijl de eigenlijke stemplooispier, het inwendige van de massa, maar weinig meer meedoet. (Een andere spier, tussen ring- en schildkraakbeen, is nu actief). Daarom vertoont het falsetregister minder vibrato, de stemproduktie is hoofdzakelijk aerodynamisch. Opmerkelijk is dat hoog zingen in falset wèl weer stemplooisluiting te zien geeft, daarom is het lage falsetregister wat minder helder dan hoog falset.

Deze wijze van zingen werd in de meerstemmige liturgische muziek tot ongeveer in de tweede helft van de 18de eeuw gebruikt omdat de rooms-katholieke kerk het gebruik van de vrouwenstem in de liturgie verbood. Ook de sopraanaria's in Bachs Matthaeus- en Johannespassion werden door jongensstemmen vertolkt, de alt-aria's door mannen in falsetregistratie (of door een nog niet gemuteerde jongensalt).

De term countertenor die inderdaad omstreeks 1945 door de componist Michael Tippett opnieuw geintroduceerd werd, is eigenlijk niet juist. De contra-tenor (E. countertenor, F. haute contre) duidt op een lijn in de vroege polyphone vocale muziek, die ontstond toen de 'ténor', die de oorspronkelijke, meestal gregoriaanse melodie zong, versterkt ging worden door een tegenstem, een 'contratenor'. Deze nu splitste zich gaandeweg in een stem boven de ténor (contratenor altus) en een stem ònder de ténor (contratenor bassus). Vanzelfsprekend werd de contratenor altus gezongen door een hoge stem (de man met een gemakkelijk falset), de contratenor bassus door een lage. De benaming altus past derhalve beter bij de hoge mannenstem dan countertenor. In werken van componisten uit de 16de, 17de eeuw zijn de aanduidingen: superius, contratenor altus, tenor en contratenor bassus vaak al te vinden in deze volgorde, die wijst naar de nu bekende opstelling: sopraan, alt, tenor en bas.

In tegenstelling tot wat de (door mij bewonderde) zanger Michael Chance zegt, zijn de fysiologische gegevens over het falsetregister al tientallen jaren bekend. Met de fiberscoop en de stroboscoop zijn de verrichtingen van de stemplooien goed waar te nemen.