De trouwfoto had al iets wrangs

De zaal van de Utrechtse rechtbank is goed gevuld als Arend Welstra, een 46-jarige man met een somber geplooid, grauw gelaat onder sluik haar, binnenkomt. Al die mensen - collega's, leden van zijn kerkgenootschap - zijn er op zijn verzoek. Op 24 juli 1993 heeft Welstra iets gedaan wat niemand van de genodigden ooit van hem verwacht had: zijn vrouw doodgestoken. Vandaag wil Welstra iedereen laten zien waarom hij het gedaan heeft. Ik ben geen monster, maar een mens - dat is zijn impliciete boodschap.

Maar eerst de feiten, en dan de moraal. Dat is nu eenmaal de volgorde bij de behandeling van rechtszaken.

“Er ontstond een worsteling”, zegt mr. A. Weijsenfeld, de voorzittende rechter van de meervoudige strafkamer.

“Ze greep mijn pols, ze zei tot twee keer toe: ik hou van je.”

“U wilde haar doodmaken, maar eerst wilde u nog zeggen wat er fout was?”

“Dat ging niet meer. Het gaat allemaal zo vlug.”

“U heeft verklaard dat u met uw linkerknie op haar strottehoofd ging zitten en toen stak. Daarna bent u weggegaan?”

“Ja, ik vreesde het ergste. Er zat bloed aan mijn handen.”

Tot dan toe was Welstra een burger geweest van onbesproken gedrag, een doodnormale ambtenaar. Een eenzame man, dat wel. Familie had hij niet meer, vrienden waren er amper en met vrouwen belandde hij de laatste jaren voortdurend in catastrofale situaties.

Zijn eerste huwelijk duurt zestien jaar. Dan forceert zijn vrouw een scheiding en ontstaat er de nodige heibel over de verdeling van de inboedel. Welstra raakt overspannen en komt op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis terecht. Daar ontmoet hij een patiënte bij wie hij later zal intrekken. Zij vreet hem binnen twee jaar uit - het kost hem een ton - en zet hem vervolgens aan de dijk.

Welstra doet een mislukte poging tot zelfmoord en moet opnieuw worden verpleegd op een psychiatrische afdeling. Eind 1992 leert Welstra op deze afdeling de 26-jarige Loedmila, afkomstig uit de Oekraïne, kennen. Loedmila is een vrouw met een onduidelijke achtergrond. Sinds enkele jaren verblijft zij in Nederland. Zij beweert dat zij slachtoffer is van de Oosteuropese vrouwenhandel. Zij zou in Nederland in de prostitutie terecht zijn gekomen en mishandeld en verkracht zijn door een Joegoslaaf. Er zijn echter ook aanwijzingen dat Loedmila al in Rusland als prostituée, een zogenaamde 'diplomatenhoer', werkzaam is geweest.

In januari 1993 trouwen Loedmila en Welstra met elkaar. “De trouwfoto toont ook iets wrangs”, constateert mr. M. Keuss, de advocaat van Welstra, in zijn pleitnotitie. “De gejaagdheid waarmee getrouwd moest worden, blijkt wel uit de lege trouwzaal. Midden in die lege zaal de uitgeleefde Welstra met aan zijn zijde de schone Loedmila. Dit kon niet goed gaan en is ook niet goed gegaan.”

Maar voorlopig beleeft Welstra euforische tijden. Eindelijk hoopt hij een gezin te stichten - zijn eerdere verbintenissen waren kinderloos gebleven. Loedmila heeft in de Oekraïne een 7-jarig zoontje en zij spoort Welstra aan het kind op te halen. Het kost hem grote inspanningen en veel geld, maar in april is het zover: het zoontje, Yuri, en oma komen naar Nederland.

In totaal heeft Welstra dan al een halve ton aan Loedmila besteed. Maar dat is niet het ergste. Hij zou het graag voor haar hebben overgehad als haar liefde oprecht was geweest - maar juist daaraan moet hij steeds meer twijfelen. Hij merkt dat zij met andere mannen naar bed gaat. Hij begint te vermoeden dat zij hem alleen maar getrouwd heeft om een verblijfsvergunning te krijgen. Misschien wilde ze daarom ook haar zoontje laten overkomen: het zou de kans op uitzetting kleiner maken. Het valt hem op dat Loedmila noch aan hem, noch aan haar zoontje meer aandacht besteedt zodra de hereniging een feit is.

Welstra voelt zich gruwelijk misbruikt en doet op 1 juli opnieuw een zelfmoordpoging. Hij belandt drie dagen op de intensive care, maar Loedmila bezoekt hem niet. Welstra laat zich daarna vrijwillig opnemen in een psychiatrische inrichting, waar Loedmila hem tijdens haar sporadische bezoeken telkens om geld vraagt. Ze geeft gemiddeld twee mille per week uit. Op 21 juli beveelt ze hem telefonisch zijn auto te verkopen. Vervolgens gooit ze de hoorn op de haak. De volgende dag zou ze haar man samen met een reclasseringsambtenaar bezoeken, maar ze laat het afweten.

Zo wordt het zaterdag 24 juli. Welstra mag een weekendje naar huis, hoera. Hij ziet condooms op bed, maar daarover verbaast hij zich al niet meer. Pas als ze wéér over geld begint, komt een niet te onderdrukken woede in hem boven.

“Ze zei: ik wil al het geld”, vertelt Welstra zijn rechters. “Het werd me te veel, ik ben naar de keuken gelopen. Ik had net de koelkast open toen ze zei: ,Wat er over is, stuur ik wel naar de inrichting.' Toen zag ik dat vleesmes liggen.”

“Vindt u dat ze haar verdiende loon heeft gekregen?” vraagt de rechter.

“Ik heb de laatste maanden keihard geknokt”, zegt Welstra. “Agressie, huilbuien...Ik had niet het recht om dit te doen.”

De deskundigen noemen Welstra sterk verminderd toerekeningsvatbaar. De officier van justitie, mevrouw mr. E. Julsing, concludeert in een mild requisitoir tot doodslag, omdat er van voorbedachte rade geen sprake is. Zij eist een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden en tbs.

“Hij zal zich niet tegen gedwongen behandeling verzetten”, zegt de advocaat. “Ik verzoek u de duur van de gevangenisstraf te beperken.”

De rechter geeft de verdachte het laatste woord. Welstra staat op, bijna gretig, alsof hij vooral daarvoor is gekomen. Zijn woorden, hoe onhandig ook gekozen en soms onverstaanbaar uitgesproken, slaan een krater van stilte in de zaal. Niets is aangrijpender dan het zuivere amateurisme.

“Ik zat van de week te denken....alles heeft twee kanten....je wordt geboren en je gaat dood...ik heb geen echte liefde meegemaakt, alleen gemaakte liefde...echte liefde is veel mooier...haar laatste woorden waren: stop, ik hou van je, maar ik dacht: wie bedoelt ze...het is misschien een van de laatste leugens...wat is waarheid...de foto van dat jongetje laat me niet meer los...dat is mijn spiegelbeeld...uit dat huis hoef ik verder niets ...die hoerenkast kunnen ze verbranden...maar dat jongetje heeft begeleiding nodig...ik ga hem terughalen uit Rusland...ik zal hem een goed leven bezorgen....ik voel zijn hand nog op mijn rug...ik heb hier een citaat: liefde is als een glas, als je het te stevig beetpakt, breekt het...Yuri, jongetje...”

De rechter knikt. “Uitspraak over twee weken”, zegt hij.

(Het vonnis, twee weken later: conform de eis.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.