Vertellen waarom kunst moét is taak van de minister

Het zal niet iedereen zijn opgevallen, maar zo'n anderhalve week geleden heeft minister d'Ancona een fundamentele ommezwaai in het kunstbeleid aangekondigd. Tijdens een bijeenkomst met de Raad voor de Kunst op 9 november kwam d'Ancona te spreken over de politiek, die volgens sommigen zo weinig heeft te melden over kunst. Als het zo zou zijn, zei de minister van cultuur “dat de overheid en de politiek er verkeerde opvattingen op na zouden houden, of nog erger, géén opvattingen, dan zou dat toch voor de kunstwereld juist een aansporing moeten zijn om daar dan zelf heldere en inspirerende denkbeelden tegenover te zetten.” En met instemming citeerde zij de socioloog Blokland die onlangs in Federatienieuws betoogde dat kunstenaars 'ten volle' verantwoordelijk zijn voor de maatschappelijke rechtvaardiging van kunstsubsidies. Het is dus aan de kunstenaars om te vertellen waarom het goed is dat de overheid een deel van de belastingopbrengst aan kunst besteedt.

Frans de Ruiter, een van de initiatiefnemers van Kunsten '92, nam op deze pagina de handschoen op. Vorige week dinsdag noemde hij een groot aantal argumenten voor kunstsubsidies: kunst kan onze kijk op de wereld veranderen, kunst brengt belangrijke menselijke waarden onder de aandacht, is goed voor de eigenwaarde, brengt bevrijdende opwinding, levert zelfs geld op - het is maar een greep uit De Ruiters heils- en welzijnscatalogus.

Maar daarmee is het probleem niet opgelost. Natuurlijk kunnen kunstenaars een rechtvaardiging voor de kunstsubsidies leveren, het zou nieuws zijn als ze dat niet meer konden. Het probleem is dat de minister het niet doet. In de gebruikelijke rolverdeling is het de minister van cultuur die pleit voor overheidssteun aan de kunst. Alleen haar argumenten zijn doorslaggevend, de argumenten van de kunstenaars zullen meteen als de belangenbehartiging van een bedreigde sector worden afgedaan.

In Nederland berust de rechtvaardiging voor het kunstbeleid op een tweetal redeneringen. De eerste is dat de markt voor kunst niet goed functioneert. Zou de kunst aan de wetten van vraag en aanbod worden overgelaten, dan zou een groot deel van het huidige aanbod aan kunstwerken, voorstellingen en uitvoeringen komen te vervallen. Hoewel een deel van de kunst zichzelf kan bedruipen, kan een groter deel dat namelijk niet.

De tweede redenering is dat het niet wenselijk is als dat gebeurt. Met dat verminderde kunstaanbod krijg je namelijk een saaiere samenleving en minder kansen op verandering, eigenwaarde, opwinding, ontplooiing of welk heilzaam effect dan ook. Dus: overheidssteun voor de kunst is in ieders belang.

Op het eerste gezicht is hier geen speld tussen te krijgen. Een dergelijke redenering, met aangepaste terminologie, ligt ook ten grondslag aan de overheidssteun voor defensie, onderwijs, wegenaanleg, sociale zekerheid, milieubeheer en wat al niet meer. Allemaal zaken die je niet aan de markt moet overlaten. Met meer of minder instemming van de belastingbetalende burgers hevelt de overheid dus een flink deel van het geld dat in ons land wordt verdiend over naar deze goede doelen.

Maar kunst is een goed doel van een ander soort. Een econoom zou zeggen: kunst is geen collectief goed, kunst en markt zijn niet onverenigbaar. Dat wordt bewezen door het feit dat in vrijwel alle takken van kunst naast een gesubsidieerde afdeling ook een private variant aanwezig is; een variant die wel op de markt kan overleven. Er zijn beeldende kunstenaars, musici en toneelspelers die het kunnen stellen zonder overheidssteun. Het zijn er niet veel, maar dat ze er zijn bewijst dat er geen principiële noodzaak voor overheidsfinanciering is. In sommige landen, de Verenigde Staten zijn het bekendste voorbeeld, is private financiering de regel en overheidssteun de uitzondering.

Maar waarom subsidieert de overheid de kunsten dan? Daar kunnen heel erg mooie theorieën over bedacht worden, maar het antwoord dat het dichtst bij de waarheid komt is dit: omdat de overheid vindt dat de voorkeuren van de burgers niet de doorslag mogen geven. Liever dan aan kunst geven die burgers hun geld immers uit aan auto's, etentjes en amusement. Ze gaan veel naar André van Duin, maar veel minder naar Toneelgroep Amsterdam. Ze kopen honderdduizenden stuks duur plaatwerk van Rien Poortvliet, maar nauwelijks de grafiek van de gelouterde kunstenaar die een werkbeurs moet aanvragen. Ze gaan wel naar de Chippendales, maar veel minder naar modern ballet. De burgers laten in hun consumptiepatroon dus zien dat ze in meerderheid niet gesteld zijn op de kunst die van hun belastingcenten wordt gesubsidieerd. Als ze er wel op gesteld waren, zou die kunst immers niet gesubsdieerd hoeven te worden. Ziedaar de paradox waarmee een minister van cultuur moet leven.

Er zijn manieren om die paradox te verzachten. Zo kan een minister betogen dat het belangrijk is dat ook minder draagkrachtigen met kunst in aanraking komen, en dat daarom de entreeprijzen laag moeten blijven en de aankoop van kunstwerken met soepele betalingsregelingen gestimuleerd moet worden.

Een minister kan ook herhalen dat kunst soms moeilijk is, dat je aan sommige kunstuitingen moet wennen en dat er daarom altijd een breed aanbod moet zijn, ook als de vraag eerst nog achterblijft. En ten slotte, het belangrijkste van alles: een minister kan voortdurend en bij velerlei gelegenheid reclame maken voor kunst. Door erover te praten, in de openbaarheid en in de ministerraad. Door musea, concertzalen en schouwburgen te bezoeken, door de discussie over kunst te stimuleren, kortom door met elan en overtuiging vol te houden dat het de moeite waard is de kunst met overheidsgeld te steunen. In laatste instantie zijn het namelijk alleen politieke argumenten, waardeoordelen, overtuigingen die tegen de scepsis van de rekenaars in stelling kunnen worden gebracht. En in laatste instantie is het alleen een politicus die kan optornen tegen de individuele voorkeuren van de burgers.

Er zijn ook manieren om de paradox te verscherpen. Zo kan een minister er de nadruk op leggen dat kunst zich moet vernieuwen, zoals vooral in de jaren zeventig het geval was. Op staatskosten vernieuwden de kunstenaars zich zo ijverig, dat de kloof tussen de kunstenaars en het publiek nog breder werd dan die al was.

Je kunt de paradox ook verscherpen door vooral kunstenaars te laten beslissen over kunst. Ook dat gebeurt. In de adviescommissies die over de subsidie-aanvragen beslissen geven kunstenaars de toon aan en een kunstenaarsoriëntatie de doorslag.

En dan is er nóg een manier om de paradox te accentueren. Wat niemand had kunnen verzinnen wordt nu door de minister van cultuur voorgesteld: de kunstenaars moeten maar zeggen waarom kunst moet. Als de kunstenaars van Nederland verstandig waren, zouden ze, in een wanhopige poging deze valkuil te ontlopen, tegen de minister hebben geroepen: “Nee, niet wij, u moet zeggen waarom kunst moet. Als de politiek niet meer kan verzinnen waarom de kunst gesubsidieerd moet worden, dan hebben we onze bondgenoot verloren. Dan heeft ons laatste uur geslagen.”

    • Warna Oosterbaan