Tot ziens Max

Ik liep langs de Raamgracht, toen het nog niet zo hard had gewaaid en de bladeren nog aan de bomen zaten. Nu is het al bijna winter en de zomer alweer lang en lang voorbij. Van de zomer, toen Max de Metz met zijn gebruinde, kale kop nog in het Vondelpark zat. Of op het terras bij Hoppe met zijn uitgeversvrienden en een verdwaalde schrijver. En toen was hij zo ineens dood. Tweeënzeventig jaar nog maar. Geen sterveling waar je van houdt heeft ooit een leeftijd om dood te gaan.

Er kwam een niet al te grote, kale meneer op een te lage fiets voorbij. Meer een loopfiets, zou Adriaan Morriën zeggen. Die meneer had ondanks zijn driftig tempo wat moeite de brug bij de Kloveniersburgwal te nemen. Zo jong was hij nu ook niet meer. Toen zette hij dapper de spurt er in en verdween richting het Rusland. Terwijl ik al maanden weet dat hij dood is en opgestookt, riep ik: “Hé, Max, tot zo meteen bij Arti!”

Ik voelde me knap verdrietig en ja, eerlijk gezegd, ook in de steek gelaten. Onzin. Maar ik voelde dat zo. Wat heb je er in vredesnaam aan om dood te gaan? Wie doe je daar een plezier mee? Wat schiet je er mee op? Allemaal geklets natuurlijk.

Een paar dagen geleden merkte een goede wijze vriend op dat ze vroeger zeiden: Hij of zij is weggegaan als iemand was overleden. Voor je je realiseert dat als iemand dood is, hij dan ook niet meer terugkomt, daar gaat een tijd overheen. Of niet soms? Dood is weg. Je komt niet, nooit weerom. En als je dat merkt, wanneer je zo'n dierbaar, onmisbaar iemand tegenkomt en je moet toegeven dat hij het niet is en je, hoe en waar je ook kijkt, hem nóóit en te nimmer meer zult tegenkomen, zit je goed fout. Zo simpel is dat.

Verhalenvertellers zijn het sap der aarde. Max kon mooi vertellen. Verhalen bijvoorbeeld uit het boekenvak waarin hij als vertegenwoordiger begon. De boer op. De kleinste boekhandelaar was er ook een. Door regen, weer en wind. Niet zoals vandaag de dag, lekker warm ergens in een marmeren uitgeversdoolhof met veel wc's, gebakjes zitten eten achter de computer. (Bij dat soort mensen is er altijd wel eentje jarig, lijkt het wel.)

Hij luisterde op de gereformeerde Veluwe het volgende gesprek af:

“Meneer de boekhandelaar, is dit nu wel echt een Christelijk jongensboek?”

“Mevrouw, wat heet hier Christelijk. Daar wordt notabene in levende lijve een missionaris in opgegeten.”

Of die ene keer in een gesprek met een boekverkoper in diens magazijn toen hij vroeg waar dat benauwde gesteun vandaan kwam:

“Ach, meneer De Metz, als zo'n kind niet zindelijk wil worden kun je het het beste in een lege boekendoos stoppen, dan heb je er het minste last van.”

Het infernoverhaal van zijn vlucht in de oorlog naar Zwitserland met zijn broertje is al weer een tijd geleden mooi en behoedzaam door Betty van Garrel uit zijn mond opgetekend. Twee jodenjongetjes met roodgeverfd haar. Zonder deugdelijke papieren. Nacht en ontij. Er sprak zo weinig wrok uit zijn verhaal als hij het je vertelde. Dat viel me altijd van Max op. Je zou zo gauw, en terecht immers, de mensen die je dood wilden, aanklagen. Max aanvaardde het als iets onontkoombaars. Bijna als iets vanzelfsprekends. Zelfbehoud. In Antwerpen was het geloof ik, dat er in hun hotelkamer een Duitser kwam controleren. Een grote J stond in hun persoonsbewijs. De Duitser geeft hen hun papieren terug en knikt dat het goed is. In orde. Licht uit.

Max: “Ja, je had er goeie bij. Maar dan moest je wel geluk hebben.” Bij de Frans-Zwitserse grens moesten ze door een officier worden ondervraagd. Max had van zijn vader een aantal dollarbiljetten meegekregen voor in het ergste geval. Bang als hij was dat ze werden ontdekt, liet hij ze achteloos vallen. In het grenskantoor kwam een ijverige soldaat met het geld aanzetten. Zijn chef keek er naar en riep: “Ach, dass sind bloss Lotteriescheine.” Ze kwamen veilig in Zwitserland. Vertelde Max: “Op het station in Basel stond een twee meter hoge neger. Een gedeserteerde Amerikaanse vliegenier. Een kleine Zwitser die nog nooit een zwarte had gezien, liep behoedzaam om hem heen: “Sie sind wohl nicht von hier?”

Tot ziens Max.

    • Jean-Paul Franssens