'Tijger' Arkan trekt voornamelijk schoolkinderen

PANCEVO, 22 NOV. IJskoud is het in de sporthal van de Servische stad Pancevo, want de spreker op deze verkiezingsbijeenkomst heeft weliswaar, zo luidt het gerucht, het monopolie op de oliesmokkel naar het door een energieboycot getroffen Servië, maar heeft geen brandstof meegenomen om de hal te verwarmen. Wel zijn er drie Servische zangers van het lichte lied aangerukt, van wie Oliver Mandic aangrijpend zijn zelfmoordplannen na een verloren liefde vertolkt, alvorens de kandidaat, Zeljko Raznatovic, alias de Servische onderwereldkoning 'Arkan', het podium betreedt.

Minutenlang laat hij zich, net als in zijn vele televisiereclame, uitzinnig bejubelen terwijl hij met beide handen naar de menigte zwaait. In de televisiespots bestaat zijn aanhang uit met zonnebrillen en Italiaanse mantelpakjes en snelle kostuums uitgedoste 'gouden jeugd' van Servië. Hier in deze sporthal moet Arkan het echter doen met vijfhonderd kleumende scholieren, veelal nog kinderen, de enigen die de weg naar deze bijeenkomst hebben gevonden. Slechts hier en daar ontwaren we een gemelijk manspersoon met een Arkan-speldje, die zich kennelijk aangetrokken voelt tot het programma van Arkans 'Partij van Servische Eenheid'. Want het gaat hier om de eerste meeting van Arkans hoogsteigen partij die meedoet aan de Servische parlementsverkiezingen op 19 december.

Arkans parlementaire carrière begon bij de verkiezingen een jaar geleden, toen hij werd gekozen als volksvertegenwoordiger in Kosovo, de merendeels door Albaniërs bewoonde Servische provincie, waar de Albanezen echter de stembusgang boycotten omdat zij in meerderheid een grotere autonomie voor Kosovo of zelfs een onafhankelijke 'Republiek Kosovo' voorstaan. Omdat bijna alle Albanese politieke leiders in Kosovo ook dit jaar weer tot een boycot van de verkiezingen hebben opgeroepen, zal ook nu weer het Albanese geluid in het Servische parlement ongehoord blijven en lijkt Arkans herverkiezing door de Serviërs van Kosovo onbedreigd.

De Albanese boycot van de verkiezingen verhindert Arkan niet in zijn fraaie kleurenfolders de nadruk te leggen op zijn goede verstandhouding met Albanezen: op menige foto ziet men hem gemoedelijk in gesprek met onmiskenbaar Albanese oude mannetjes. De voetbalclub die Arkan in Kosovo financiert, 'Pristina', naar de hoofdstad van de provincie, is echter eenduidig de Servische club, en kwade tongen beweren dat Arkans zware jongens een zeer werkzaam aandeel hadden in de onlusten die onlangs ontstonden bij een uitwedstrijd van 'Pristina' in de Servische stad Novi Pazar, waar veel moslims wonen.

Zijn politieke carrière, zijn indrukwekkende lijfwacht, zijn vloot Mitsubishi-jeeps, zijn privé-legertje dat bij de strijd tegen de vijanden van het Servische volk in zowel Bosnië als Kroatië een belangrijke rol heeft gespeeld - het zijn alles indrukwekkende prestaties voor een man die in de jaren zeventig in verschillende Westeuropese landen voor het eerst van zich deed spreken als kleine crimineel. In die hoedanigheid staat hij, als pleger van gewapende roofovervallen, in verschillende landen nog steeds op de lijst van gezochte personen, onder andere in Nederland waar Arkan nog eens uit de Amsterdamse Bijlmerbajes is ontsnapt.

Dat Arkan sedert enkele jaren zijn werkterrein heeft verlegd naar Servië, waar hij zich heeft ontwikkeld tot een onmiskenbaar belangrijk leider binnen de criminele wereld - misschien zelfs de belangrijkste - heeft volgens deskundigen niet alleen te maken met het vermoeden dat de grond hem elders te heet onder de voeten is geworden. De Joegoslavische misdadigerssyndicaten, aldus deze bronnen, zien met de oorlogstoestand in ex-Joegoslavië talrijke aantrekkelijke bronnen van inkomsten, in het bijzonder in het door handels- en andere embargo's getroffen Servië en Montenegro, waar thans bijna de enige vormen van economische activiteit nog smokkel, zwarte handel en valutamanipulaties zijn.

Hoezeer het Arkan en zijns gelijken voor de wind gaat is op straat in de Servische hoofdstad Belgrado makkelijk te zien. Zware jongens zijn bijna nog de enige klanten in cafés en restaurants, en ten minste een kwart van het aantal voorbijgangers in het centrum bestaat uit 'devize, devize' lispelende zwartwisselaars. De kans op schietpartijen en liquidaties tussen criminelen onderling wordt door de meeste inwoners van de stad gezien als een serieus risico tijdens een avondje uit. Dat, en het acute geldgebrek natuurlijk, vormt voor bijna iedereen dus tegenwoordig een doorslaggevende reden om maar thuis te blijven.

In de sjiekste wijk van Belgrado, Dedinje, neemt Arkans macht bijna de vorm van een 'staat binnen de staat' aan. Rondom zijn ruime villa, met boven de toegangspoort een heroïsch fresco van zijn als 'Tijgers' bekend staande privé-legertje, zijn bijna alle koffieshops, taartjeswinkels en andere neringen van hem. Op de parkeerplaats voor het fresco staat de vloot Mitsubishi-jeeps van de ondernemer-politicus, direct op straat als zodanig herkenbaar omdat zij afwijkende nummerplaten hebben.

Die staat in de staat lijkt Arkan niet langer genoeg: hij lijkt zich nu ten doel te stellen de staat zelf te worden. Als lijsttrekker van zijn Partij van Servische Eenheid komt hij in heel Servië uit. Volgens kwade tongen is hij daarin aangemoedigd door de regerende partij, de ex-communistische SPS van de Servische president Slobodan Milosevic, die Arkan ziet als een middel om de macht van Vojislav Seselj te fnuiken. De extreem-nationalist Seselj, wiens Servische Radicale Partij (SRS) vorig jaar door de SPS krachtig werd begunstigd als stemmenfuik voor het radicaal-nationalistische deel van het electoraat, heeft zich in toenemende mate ontwikkeld als een bron van ergernis voor Milosevic en de zijnen. Toen Seselj in oktober dreigde de SPS-regering ten val te brengen, besloot Milosevic in december nieuwe verkiezingen uit te schrijven.

Het moet gezegd dat wie van de achtergronden van Arkan en het oorlogsheldendom van diens 'Tijgers' in Kroatië en Bosnië niet op de hoogte zou zijn, vanmiddag in deze koude sporthal misschien niet op de gedachte zou komen met een extremistische beweging te maken te hebben. Weliswaar zegt Arkan enkele malen in zijn rede, dat alle Serviërs (dwz. die in Servië, Montenegro, Bosnië, Kroatië en wie weet waar nog) in één staat moeten leven, maar binnen het Servische politieke spectrum is dat nu niet zo'n boude uitspraak. Over de oorlog zwijgt hij in alle talen. Wel beveelt hij telkenmale het economisch programma van zijn partij aan, slechts onthullend dat dit a) uit opheffing van de sancties bestaat en b) uit 'werk, werk, werk'.

Aan de vernikkelende scholieren, die Arkan bij zijn verschijnen stormachtig hebben toegejuicht, is de toespraak niet zo besteed. Zij beginnen massaal de tribune te verlaten en na een minuut of tien beëindigt spreker dan ook zijn voordracht en verlaat in gezelschap van vijf andere kandidaten, onder wie een opvallend krachtig gebouwde voorzitter, de sporthal. Onder Arkans vele kwaliteiten behoort duidelijk niet het redenaarschap: hij heeft zijn toespraak min of meer joelend in de microfoon gebruld.

Maar waarom was er eigenlijk niemand behalve die onnozele kinderen? “Ach”, meent een inwoner van Pancevo, thuis genoegelijk nog een blok hout in de haard werpend, “het kan niemand eigenlijk meer schelen wie er in het parlement komt. Servië is verloren, dat ziet u toch? Niets dan armoede en ontgoocheling. Wat voor toekomst kan ik hier mijn kinderen bieden? Weet u niet nog een baantje in Nederland?”

    • Raymond van den Boogaard