Met gebreken

Ze komt alleen nog buiten bij een ander aan de arm. Een bleek gezichtje, bange ogen, scherpe neus. Haar baten mantel, muts en halsdoek nauwelijks meer. Ze huivert, klappertandt, en het is ook guur op straat. Het vriest, er staat een akelige wind.

Ze schuifelt bij de warme bakker binnen. Hier ruikt het heel behaaglijk naar brood en uitgerekend hier zegt ze: het lijkt wel of er nergens meer gestookt wordt tegenwoordig, in alle winkels is het stervenskoud.

Ze klaagt niet, klagen ligt niet in haar aard, klagen heeft ze nooit gedaan.

Het is dat huis. Ze hoort niet in dat huis. Dat huis maakt haar gek. Het zijn die witte muren. Dat wit maakt haar radeloos. Het is haar bril. Het is de stilte om haar heen. Het is de drukte om haar heen. Het is de telefoon, het televisieapparaat. Het zijn die knoppen overal; alles weigert dienst en gaat kapot. Het is het eten, altijd lauw en smakeloos, geen wonder dat ze zo verzwakt. Het zijn de medicijnen. Het is de dokter. Het zijn de mensen, niemand aardig, niemand die zich aan een afspraak houdt, niemand die verstaanbaar praat. Of dat ze schrééuwen tegen haar, alsof ze doof is, niet normaal. Het onrecht dus, haar aangedaan. Dat mag ze toch wel zeggen?

De laatste strohalm in een mensenleven. Jij bent het niet die ongeschikt voor deze wereld wordt. Het is de wereld, ongeschikt voor jou.

    • Koos van Zomeren