LOCOMOTIEF KAN GEEN KEUZE MAKEN

Marathonschaatser Arnold Stam wil zich kwalificeren voor de olympische 10 kilometer ten koste van de kernploegleden. De ongelijke strijd tussen fulltime schaatsers en een 25-jarige constructiebankwerker die vanmorgen om kwart voor zeven weer naast zijn bed moest staan.

Hij kan niet kiezen. Nooit gekund. En waarom zou hij? Zolang zijn lichaamskracht geen grenzen kent. “Alles pakken wat je pakken kunt.” Dat is zijn motto.

's Zomers fietst hij bij de amateurs. Olympia's Tour. Teleflex Tour. Uitsluitend klassiekers. En 's winters schaatst hij marathons. Op de kunstijsbaan. Liever nog op natuurijs.

En dan wil hij zich ook nog plaatsen voor de 10 kilometer op de Olympische Spelen. Zo even tussendoor. Dus reed hij gisteravond in Eindhoven een 5 kilometer, want dat is de afstand waarop je een startbewijs voor de 10 kilometer moet halen. Hij kwam aan de start in de allerlaatste rit, om kwart voor tien, toen het publiek al lang verdwenen was. De speaker had de vrijwilligers al gewaarschuwd dat ze konden opruimen. Toen ging Arnold Stam - groot en sterk en onverzettelijk - als een locomotief over de baan.

Eigenlijk deed hij maar voor spek en bonen mee. Barmhartigheid van de organisatie. De wedstrijden op de 5 kilometer waren zaterdagavond al geweest. Een afstand die Rintje Ritsma in een nieuw baanrecord van 6.56,19 had gewonnen.

Maar zaterdagavond reed Stam in Alkmaar nog een marathon. Hij kwam als zevende over de finish. En gisterochtend had hij in Veenoord ook nog een marathon op natuurijs willen afwerken. Dat hij daar uiteindelijk toch van afzag, had niks te maken met benauwdheid voor vermoeienis. Want 's avonds in Eindhoven, buiten mededinging, hoefde hij alleen maar onder de 7.30 te rijden om zich te kwalificeren voor de regio-selectie, die hem naar het NK afstanden moet brengen. En 7.30, dat rijdt hij “met twee vingers in de neus”, zegt hij zonder grootspraak. Ook als hij al twee zware marathons in de benen heeft. “Ik herstel ontzettend snel.”

Hij dacht dat het in Veenoord niet hard genoeg zou vriezen. Hij dacht dat het ijs van slechte kwaliteit zou zijn. Dan had hij toch geen kans te winnen. Dan zou hij alleen maar risico's lopen. “Eén kiezel en je bent gezien.” En hij had zijn kans op de Spelen -“eigenlijk niet meer dan een droom” - toch niet lichtvaardig willen verspelen.

Maar gisteravond, kijkend naar de televisie, had hij van die beslissing ook weer spijt gekregen. “Dan zie je die jongens rijden in Veenoord. Dat is toch even slikken.” Want Stam wil geen mogelijkheid verzuimen. Natuurlijk had hij erbij moeten zijn.

Ze zeggen dat hij smijt met zijn krachten. Dat hij roofbouw pleegt. Dat hij binnen twee jaar is opgebrand. Maar dat zeiden ze vier jaar geleden ook al. En nog steeds wordt hij elk jaar sneller en elk jaar meer succesvol. “Dus waarom zou ik het rustig aan gaan doen?”

Ja, als hij “een echte grote tegenslag te verwerken kreeg”, dan zou hij zich wel intomen. “Dan zou ik misschien maar op één paard tegelijk wedden. Niet op twee of drie.” Maar welke sporttak hij in zo'n geval zou kiezen? “Ik weet niet waar ik het best in ben.”

Misschien is hij wel nergens goed genoeg in. Ja, goed genoeg om met de voorsten mee te kunnen rijden. Maar niet goed genoeg om iedereen achter zich te laten. Dat zal hij nooit zeker weten, zolang hij zich nergens op toelegt. Zolang zal hij ook nooit met lege handen staan.

“Je kunt wel alles richten op kwalificatie voor de Olympische Spelen”, zegt Stam. “Maar dan zit je maanden lang te zenuwen. Als je dan net ziek bent op het kritieke moment, heb je niks meer.”

Dat is wat hem twee jaar geleden gebeurde, toen hij “alles op alles zette” om zich voor Albertville te plaatsen. Hij herinnert zich veel te goed nog de kater. “Als het dit keer niet lukt, is er geen man overboord. Ik heb deze herfst al drie marathons gewonnen. Mijn seizoen kan niet meer kapot.”

De kans dat hij naar Noorwegen kan, is toch “vrij klein”, zegt hij, als om zich bij voorbaat met de teleurstelling te verzoenen. Want om zich te kwalificeren zal hij zich op de Nederlandse afstandkampioenschappen bij de snelste drie op de 10.000 meter moeten rijden. Dat betekent dat hij leden van de kernploeg als Zandstra, Ritsma en Bos achter zich moet laten, bij voorkeur overtuigend. In twijfelgevallen zal de technische commissie aan leden van de kernploeg voorrang geven. Dat kan Stam zich wel indenken. “Tenslotte doen die jongens van de kernploeg niks anders dan trainen. Dan is het lullig als ze moeten wijken voor iemand die werkt.”

Vroeger, heel vroeger, heeft hij ook nog wel eens gedroomd van de kernploeg. Hij bracht het nooit verder dan de gewestelijke selectie. Kracht, techniek en conditie voldoende. Maar niet explosief genoeg. De seconden die hij verspeelde op de sprint, kon hij op de lange afstanden nooit meer goed maken. Als klassementsrijder was hij ongeschikt.

Als marathonrijder kwam hij veel beter tot zijn recht. Al won hij zelden, hij eindigde bijna altijd bij de eersten. Vorig seizoen eindigde hij als tweede in het klassement om de KNSB-Cup. Hij schreef ook de alternatieve elfstedentocht op zijn naam.

En dit jaar lijkt hij te hebben afgerekend met zijn reputatie van eeuwige tweede. Hij heeft al drie marathons gewonnen. Zeges die volgens Stam te danken zijn aan het trainen op de mountain bike in de Drunense duinen, waardoor hij explosiever is geworden. Verder heeft hij geleerd “behoudender” te rijden en zich niet te snel het hoofd op hol te laten brengen. Al heeft hij nog altijd grote moeite om zich in te tomen. “Ik houd de neiging om erin te vliegen. Dat is misschien niet slim, maar het past bij mijn aard.”

Stam is de laatste drie jaar op de Nederlandse afstandskampioenschappen altijd bij de eerste vier geëindigd op de 10.000 meter. Waarom zou hij eind december niet bij de eerste drie kunnen komen en zo een plaats verdienen in de olympische ploeg? Hij weet ook wel dat zijn schaatsstijl “misschien niet zo mooi is”, dat zijn coördinatievermogen “niet zo flitsend is” en dat hij maar weinig doet aan perfectionering van zijn techniek. “Maar ik heb best een effectieve slag. En ik ben beresterk.”

Als hij zich kwalificeert voor de Spelen, wil hij zich daar ook het verdere seizoen wel op toeleggen. Dan is hij zelfs bereid om marathons te laten schieten. “Als het niet anders kan.”

Zijn tijd op de 5 kilometer gisteravond in Eindhoven - 7.10,06 - houdt de poort naar Noorwegen open.

    • Dick Wittenberg