Gak-schande (slot)

GAK-president De Jong in NRC Handelsblad: “Voor elk mens erbij in deze organisatie wordt elk dubbeltje omgedraaid.” Met zo'n managersuitspraak kan ik als hoogleraar monetaire economie aan het werk.

De president himself, bijvoorbeeld, moet, in een tempo van één dubbeltje per seconde, ieder jaar 102 dagen, 2 uur en ruim 34 minuten dubbeltjes draaien alleen al voor zijn eigen salaris van 2,8 miljoen dubbeltjes. Maar er valt nog meer te vertellen over het GAK. Is president De Jong een mislukte manager? Of heeft de hoogleraar monetaire economie buiten zijn vakgebied geen kennis van de juridische feiten? In deze voorlopig laatste column over het GAK geef ik antwoord op beide vragen, door letterlijk te citeren uit de vele brieven en vertrouwelijke stukken die medewerkers van het GAK mij de afgelopen jaren - buiten De Jong om - spontaan toestuurden.

Naar aanleiding van mijn column over de 'kleine commissies' in augustus 1991 schreef een hoge GAK-jurist: “met genoegen gelezen . . . onjuistheden stonden er niet in . . . kleine commissies willen nog wel eens betwijfelen of het wel echt nodig is dat een gedeeltelijk arbeidsongeschikte geschoold moet worden. De moeizaam tot stand gekomen afspraken tussen het Directoraat Arbeidsvoorziening en de Federatie van Bedrijfsverenigingen werken dan ook niet goed: de Arbeidsbureaus klagen steen en been over de hopeloze bureaucratie waar men tegenaan loopt . . . onlangs heeft de Centrale Raad van Beroep een reeks uitspraken gedaan waarbij het enge beleid van de kleine commissies werd vernietigd. Dit heeft geleid tot een dringend verzoek van de juridische afdeling van het GAK aan de kleine commissies om zich aan de gemaakte afspraken te houden en zo te voorkomen dat aan de lopende band de rechter beslissingen van de bedrijfsvereniging zal vernietigen.”

Een andere juridische specialist bij het GAK schreef mij eerder dit jaar: “ik kan u uit eigen ervaring verzekeren dat het hier precies zo gaat als u steeds beweert . . . mij zijn gevallen bekend dat mensen tegen hun wil de WAO in zijn gestuurd. Iedere dag verbaas en verwonder ik mij over de mentaliteit die hier heerst. Het lijkt er sterk op dat het GAK ieder contact met en ieder zicht op de buitenwereld heeft verloren en thans geheel autonoom door het leven gaat. Zo wordt op basis van een advies van de Federatie van Bedrijfsverenigingen willens en wetens gehandeld in strijd met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Ik heb deze gang van zaken voorgelegd aan mijn mede-juristen, maar de enige reactie die ik krijg is: “de centrale rvb moet niet zeuren” . . . Zolang ik hier nog zit maak ik er echter het beste van . . . het salaris, zoals u in een eerder stukje heeft aangegeven is riant, en door uw artikelen voel ik mij gesteund in de opvatting dat het niet aan mij ligt maar aan de organisatie . . .”

Deze briefschrijvers kan ik niet bij naam identificeren, want we weten hoe het GAK omgaat met dissidenten: mr. M. van Stralen, de regio-directeur in Heerlen, werd geschorst door de politieke top in Amsterdam na het geven van een interview over ziektewet en WAO waarin hij ongeveer vertolkte wat later de consensus werd in de Tweede Kamer. Wel kan ik bij naam citeren uit een lange brief die mij langs een omweg bereikte van drs. J.G.J.E. Josten, directeur van de GMD. Ook uit dit juridische stuk blijkt dat de GMD in het algemeen aandringt op scholing en reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten, maar daarbij op problemen stuit door de bureaucratie bij het GAK, de afwerende houding van veel kleine commissies en de weigereing van GAK en veel bedrijfsverenigingen om gewoon de bestaande wet uit te voeren.

Het ingezonden stuk van P. de Haan in deze krant (15 november) en het interview met GAK-president De Jong (16 november) verdedigen de stelling dat GAK en bedrijfsverenigingen geen volumebeleid konden voeren wegens gebrek aan bevoegdheden en onduidelijke regelgeving. Maar Josten schrijft namens de GMD; “argumenten op grond waarvan de huidige sanctiebepalingen voor opleidingen en scholingen niet voldoende zijn, ontbreken. De stellige indruk bestaat dat het bestaande arsenaal aan wettelijke sanctiebepalingen voldoende is . . . het stimuleren van het aantal scholingen is naar de ervaring van de GMD een zaak die de uitvoeringsorganen zich moeten aantrekken. Tot voor betrekkelijk kort was de scholingsgeneigdheid bij de bedrijfsverenigingen niet groot . . . er zijn in de uitvoeringspraktijk nauwelijks gevallen bekend waarin de belanghebbende een nuttig geachte opleiding of scholing frustreert. In die gevallen bleek het bestaande arsenaal aan sanctiebepalingen afdoende te functioneren.”

Zelf ben ik geen jurist, maar alle argumenten in mijn artikelen waren zorgvuldig gebaseerd op deze en soortgelijke informatie van deskundige insiders. Niemand heeft ooit beweerd dat de oude wetgeving het gemakkelijk maakte om volumebeleid te voeren, maar het blijft curieus dat de bedrijfsverenigingen intern zich op de borst slaan over het volumebeleid (president De Jong: “we deden veel aan volumebeleid”, Tijdschrift van de Sociale Verzekeringsraad, jaargang 3 nr. 5), terwijl tegelijkertijd voorzitter Fase van de Sociale Verzekeringsraad tegen de Enquête Commissie beweert: “natuurlijk hebben uitvoeringsorganen (GAK en Bedrijfsverenigingen) bepaalde initiatieven ontwikkeld, maar dat speelde zich toch in hoge mate af in de vrijblijvende sfeer. We komen eigenlijk pas nu in een situatie waarbij de uitvoeringsorganen zo worden geïnstrumenteerd dat ze ook een bijdrage leveren aan het volumebeleid”, (Parlementaire Enquête Commissie, 24 mei, 1993). Hoe de twee top-mensen elkaar zo kunnen tegenspreken ontgaat mij nog steeds.

En ten slotte is er het geld. Niet één willekeurige hoogleraar economie, maar de top-ambtenaren van de Rijksoverheid onder voorzitterschap van de thesaurier-generaal rapporteerden deze zomer dat de salarissen bij bedrijfsverenigingen en GAK 30 procent procent sneller zijn gestegen dan bij de overheid over een periode van 10 jaar, wat betekent zeshonderd miljoen gulden hogere sociale premies. Niet één individuele hoogleraar, maar het Centraal Planbureau noteerde dat de bedrijfsverenigingen 25 procent zouden kunnen besparen op de uitkeringen voor ziekteverzuim door het ideologisch taboe op eigen-risicodragers te doorbreken. Het najaarsoverleg in 1990 met de sociale partners drong daar unaniem op aan en ook op andere maatregelen binnen het toen geldende wettelijke kader, en het was vooral de weigering van GAK en bedrijfsverenigingen om de afspraken serieus te nemen die minister Kok en staatssecretaris Ter Veld in uiterste wanhoop het jaar daarna ertoe brachten om positie te kiezen voor lagere uitkeringen. Alle onzekerheid voor honderdduizenden WAO'ers die toen ontstond was voorkomen als GAK en bedrijfsverenigingen coöperatief hadden meegewerkt om maatregelen die regering en sociale partners in 1990 overeenkwamen ook royaal en deskundig uit te voeren. Het is de combinatie van bureaucratische incompetentie in de jaren tachtig en botte sabotage van nationale afspraken in de jaren negentig die betekent dat nu de premies miljarden te hoog zijn en dat zoveel WAO'ers boos en verdrietig zijn over GAK en de vijf slechte bedrijfsverenigingen.