Dierenthema verenigt uitersten op tentoonstelling in Museum De Wieger; Vogelskeletten als bommenwerpers

Tentoonstelling: Dieren, dood en levend. Museum De Wieger, Oude Liesselseweg 29, Deurne. T/m 5 dec. Di t/m zo 12-17u. Museum Jan Cunen, Oss. 17 dec t/m 1 mei 1994. Catalogus 56 blz., prijs f25,-.

Op de tentoonstelling Dieren, dood en levend zijn maar weinig traditionele kunstwerken te zien, weinig beelden van hout of steen, weinig schilderijen van olieverf. Een van de schilderijen is Raoul Hynckes' extreem realistisch aandoende 'Dode haas in kreupelhout' uit 1938. Met olieverf is op linnen een jachtstilleven geschilderd, de haas ligt in een donker bos, maar op zijn vacht en een paar jagersattributen valt warm licht. Mijlenver staat dit schilderij af van het in 1993 uit onooglijke materialen vervaardigde paard van Paul de Reus. Dit amechtige paard van pluche heeft een geslachtsdeel van skaileer, zo lang dat hij als vijfde poot de grond raakt. Het paard heet Mapplethorpe, naar de Amerikaan die de fotografie zoveel sterke, mannelijke naakten heeft geschonken.

Het paard Mapplethorpe en de dode haas van Hynckes zijn twee uitersten op deze sympathieke tentoonstelling, die ongeveer tachtig werken bevat van Nederlandse kunstenaars uit deze eeuw en het eind van de vorige die op de een of andere manier een dier hebben verbeeld. De oudere werken komen veelal uit de collectie van de twee musea die de expositie organiseren, museum De Wieger in Deurne en het Jan Cunen Centrum in Oss, voor de hedendaagse kunst gingen de conservatoren op atelierbezoek.

Het aardige van de thematische aanpak is dat de bezoeker wordt bevrijd van het denken in stromingen en tijdperken; Willem de Zwarts in het stro liggende kalf (1890) hangt rustig schuin tegenover Erik Andriesses precies honderd jaar later geschilderde dode nijlpaardje, wiens opengesneden buik met dikke rode verf haast in reliëf is weergegeven. Daardoor blijft er meer aandacht over voor de persoonlijke interesses van elke kunstenaar, bijvoorbeeld voor de schaduwen die boerderijdieren in het gras maken bij Kinke Kooi (1987) of voor het zwart op Erwin Olafs foto van het hondje Kees (1990).

De dieren zijn door de hier vertegenwoordigde kunstenaars zelden opzichtig als metafoor gebruikt, vaak liggen ze gekleurd en dood zichzelf te zijn, zoals op de prachtig verstilde vogelschilderijen van Wim Schuhmacher en Jan Mankes.

Een aantal kunstenaars laat zien hoe weinig er nodig is om een dier te scheppen: een paar bollen en halve bollen en Geert van de Camp heeft een teddybeer. Nicolas Dings verandert een tuinslang in een slang.

Honden, katten, vogels en boerderijdieren zijn de favoriete modellen op de expositie. Er zijn maar een paar exotische dieren of dieren die door een kunstenaar zelf bedacht werden, waaronder de vogel met vissekop van Simon T. Blackshaw (1993) en de diverse metamorfoses van Jules van der Vuurst de Vries, die ook een stuk schreef voor de catalogus.

Merkwaardig en mooi is het bijna in zwart-wit geschilderde doek van Dirk Nijland uit 1914 waarop zeven vogelskeletten als boosaardige bommenwerpers door de lucht zwermen.

Merkwaardig en tevredenstemmend is dat wat van deze tentoonstelling bijblijft niet het onderwerp is, maar de machtige vrijheid van de kunstenaar die uit het niets zoveel verschillends weet te scheppen. Bij de afzonderlijke schilderijen is het onderwerp wel degelijk van belang, maar de aandacht waarmee is waargenomen en de durf waarmee is verzonnen zijn toch belangrijker.