Bij Schnittke kuieren de dino's doelloos rond

Concert: Nieuw Sinfonietta Amsterdam o.l.v. Lev Markiz m.m.v. Boris Berman en Peter Frankl, piano vierhandig. Werken van Kokkonen, Schnittke en Schönberg. Gehoord 20/11 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 23/11 Muziekcentrum Frits Philips Eindhoven. Uitzending: Radio 4 Vara 26/11 20.02 uur.

Vrijwel iedere componist is door anderen beïnvloed. Webern liet zijn liefde voor de oude Nederlandse polyfonisten (zoals Josquin Desprez en Isaac) blijken in zijn late werken, daarnaast is vrijwel zijn gehele oeuvre doortrokken van een typisch Weens koloriet. Maar die invloeden zijn bijzonder subtiel verwerkt, niemand zal het dan ook in zijn hoofd halen Webern te bestempelen als een postmodern componist avant la lettre.

Geheel anders zijn deze verhoudingen in de polystilistische muziek van de half Duits-Russische componist Alfred Schnittke, de centrale figuur zaterdag in de Matinee op de vrije zaterdag. Sinds 1971 tracht Schnittke met een soort van muzikale oerkracht het overenigbare te verenigen, botsen bij hem catastrofaal tegengestelde klankwerelden. Zij uitdaging is - in de oorden van Messiaen - “de charme van het onmogelijke.”

Schnittkes Concert voor piano vierhandig en kamerorkest uit 1988 begint, na een wat bleke inleiding, veelbelovend met doffe en logge clusters in de piano, alsof een dinosaurus over de toetsen loopt. Maar, om de vergelijking door te trekken, waarom ze zijn uitgestorven, blijft in het ongewisse, de dieren kuieren maar wat rond (contrafagot, tuba) en de voor Schnittke zo kenmerkende apocalyps blijft ditmaal uit.

De tegenstellingen zijn ook minder frappant, omdat het onderhavige citaat uit Sjostakovitsj' opus 103 te weinig contrasteert met Schnittkes eigen stijl. Tegenstellingen zijn er wel in de curieus gescheiden behandeling van piano en kamerorkest, het herinnerde mij aan de manier waarop Varèse geluidsband en orkest om en om behandelde.

Nieuw Sinfonietta Amsterdam deed er alles aan om Schnittkes clustermuziek zo flatteus mogelijk te belichten, van het pianoduo Boris Berman/Peter Frankl had ik echter meer verwacht dan flair. Ongelijke aanslagen en een niet goed op elkaar afgestemde rubato-opvatting herinnerden aan de huiselijke stijl van vierhandig musiceren.

Al bleef Schnittke zo enigszins onder de verwachtingen, zijn werk was toch nog ongemeen spannend in een vergelijking met Joonas Kokkonens beschaafd muzikanteske durch einen Spiegel uit 1976-'77 voor twaalf strijkers en klavecimbel. Alles eraan klopt: de goede smaak (stijl Bartók-Martin), de verhoudingen, de afwisseling aan lyriek en motoriek, alles klinkt keurig en correct, maar zonder enig risico.

    • Ernst Vermeulen