Al 600 jaar een discotheek in de open lucht; Profiel van de KALVERSTRAAT

Vroeger een belangrijk bedevaartsoord, nu de drukste winkelstraat van Nederland. De Kalverstraat viert dit jaar zijn zeshonderdste verjaardag. De laatste eeuw maakte de voorname deftigheid van hotels als Polen en Suisse er plaats voor schreeuwerige spijkerbroekenwinkels. “Een rotstraat”, vindt de bloemenman. “Een straat met toekomst”, denkt de directeur van een gerenommeerd warenhuis. Als de oudere en koopkrachtige consument maar weer door de Kalverstraat gaat lopen.

Inderdaad, de Kalverstraat was vroeger een straat met kalveren. Waar nu toeristen en Amsterdammers hun neus tegen de etalages drukken, stond het zes eeuwen geleden vol met jonge koeien. Tot aan het Schapenplein, het huidige Muntplein, waren de runderen voor de huizen opgesteld. Voor ieder stuk vee dat voor hun deur werd verkocht, kregen de bewoners een kleine vergoeding. In 1629 konden ze opgelucht adem halen. De veemarkt vertrok en de Kalverstraat kon uitgroeien tot wat het nu is: de bekendste winkelstraat van Nederland, de duurste straat van het Monopolyspel, die dit jaar zeshonderd jaar bestaat.

Lopen door de Kalverstraat is als zappen langs tientallen kanalen. Ergens spreidt een zwerver zijn deken, een groepje Afrikanen stalt op de grond sieraden uit, twee mannen met roodgeverfde hoofden staan voor standbeeld en de verkoper van Het Kantenhuis vertelt temidden van klompjes en sleutelhangers dat de vraag naar naaldkant - “steek voor steek met de hand gemaakt mevrouw” - afneemt.

“Wie binnen Amstels wallen een toneel van woelige bedrijvigheid, van weelderigen wellust, van uitgelaten winderigheid, van behaagzieke pronkzucht, van ledigloopende straatslijperij, van nieuwsgierig gapen en gluren, maar ook van vrome, stille deftigheid, en ingetogen houding en gang wil bij wonen”, schrijft een anonieme 'humorist' in 1844 in zijn 'Physiologie van de Kalverstraat', “ga met mij mee naar de Kalverstraat.”

Jonge dames deden er hun boodschappen, werklieden schaftten in de koffiehuizen en visboeren duwden er hun kar voort, voorbijgesneld door beursgangers op weg naar hun werk. De straat had “meest winkels van damesbehoeften”, schrijft 'de humorist'. Voor japonnen en mantels konden de vrouwen terecht in tientallen manufactuurwinkels (“van de meest ordinaire tot de fijnste”). In de vele galanteriewinkels kochten ze voor hun toilet 'valsche haarvlechten', 'juweelen bellen' of 'een bracelet'.

En er werd geflirt. Nergens in Amsterdam werd zo geflaneerd en geflirt als op de voormalige veemarkt. Een fatsoenlijke dame kon zich er zonder begeleiding eigenlijk niet vertonen. 's Avonds werd de straat bevolkt door flaneurs en dames met tulen mutsjes op “die gewoonlijk een snellen tred aannemen en u brutaal aankijken”, aldus een anonieme reisgids uit 1875.

“Het begon hier”, zegt Karel Citroen (73), de laatste telg van de beroemde juweliersfamilie die zich in 1859 aan het begin van de Kalverstraat vestigde. Boven de winkel schuift Citroen de glasgordijnen opzij en kijkt naar de stroom passanten beneden hem. Precies waar hij nu staat, zegt Citroen, zat vroeger zijn grootmoeder te kijken naar de slepende tred en het gelonk van de jongeren onder haar. Ze liepen tot aan de Munt en weer terug en ze vonden altijd wel iemand. “Een soort discotheek in de openlucht”, zegt Citroen nu.

Believe me, believe me, bewegen de lippen van een meisje met een enorme bos haar. Met twee armen hangt ze aan een rek met spijkerjacks, de schouders bewegend op de maat van de muziek. Haar moet je niks vragen over de Kalverstraat, roept ze boven het lawaai uit, zij weet er niks van. Ze werkt altijd. Believe me, believe me. Rekken met windjacks en spijkerbroeken - van alles ten minste honderd stuks. Een paar deuren verder hangen in eenzelfde winkel dezelfde windjacks. “Maar wij verkopen ook merkkleding”, zegt een verkoopster. De spijkerjacks dragen hier namen als Body Glove, Killer Loop en Champion. Aan de overkant van de straat staan voor een cadeauwinkel bossen tulpen met lichtjes. Een discount-boekhandelaar doet een stapel kalenders met baby-dieren in de aanbieding.

“Het gedeelte bij de Dam is eigenlijk geen Kalverstraat”, zegt Willem Koster, directeur van het gerenommeerde warenhuis Maison de Bonneterie en voorzitter van de vereniging van eigenaren van de Kalverstraat. “Het publiek is er jong, de spullen goedkoop.” Deze schreeuwerige jeans-boetieks zijn volgens Koster al lang niet meer kenmerkend voor de Kalverstraat. “Het consumentengedrag is veranderd en de winkels volgen.” Steeds meer gespecialiseerde winkels en zaken van naam vestigen zich in de Kalverstraat, zegt hij. De consument kiest weer voor kwaliteit. Begin jaren zestig ja, toen de na-oorlogse baby-boom-generatie zich massaal in spijkerbroek ging hullen, was de Kalverstraat redelijk eenzijdig. De kleine middenstander kon de snel stijgende huurprijs niet meer opbrengen en de een na de ander maakte plaats voor de anonieme jeansboetieks. “De jongeren kon het ook niet meer schelen hoe ze werden bediend” - had meneer Citroen gezegd - “want ze werden nergens nog goed bediend.”

In kranten en huiskamers werd gemopperd over de teloorgang van de exclusieve winkelstraat. Maar volgens Koster is de Kalverstraat nooit een deftige straat geweest. “Het is altijd meer een straat geweest voor de nette burgerij. De Nederlandse consument is niet voor duur en luxe. Toen niet en nu niet.”

Onder de kroonluchters in de Bonneterie lopen de meisjes van toen. Ze snuffelen tussen kerstengeltjes en glaswerk. Hun gelakte handen duwen op stapels badlakens. De baby-boom-generatie is koopkrachtig geworden en dus meer dan welkom in de Kalverstraat.

Een nieuw overdekt winkelcentrum bij de Munt, aan het einde van de Kalverstraat, moet op deze trend inspelen. Als alles goed gaat, wordt in 1994 begonnen met de bouw van de zogenoemde Vendex-driehoek. Het ontwerp is van architect Pi de Bruijn. Blikvanger wordt een grote glazen toren met daarin liften en roltrappen en ruimte voor lunchrooms en een restaurant. Het nieuwe winkelcentrum, waarin ook woningen komen, zal de oudere en koopkrachtige consument als het ware vanzelf naar de Kalverstraat lokken, denkt Koster.

“Een afschuwelijke rotstraat is het”, zegt de verkoper van bloemenstal 't Lievertje. Hij gelooft niet in de ontwikkeling zoals de directeur van Maison de Bonneterie die schetst. Met zijn armen over elkaar leunt hij tegen de bloemenstal. “Vies, smerig, junken, dieven, plebs”, somt hij de problemen van de Kalverstraat op. Verleden week nog zag hij een groep van dertig jongens jattend door de straat trekken. De klanten blijven weg en dat vind hij niet vreemd ook. De hele dag door staan er zwervers uit de vuilnisbak te eten. “Niet echt een prettig gezicht, wel?” Bovendien is er voor klanten geen lol meer aan, zegt de bloemenman. “Ze kunnen toch nergens hun auto nog kwijt?”

De gemeente Amsterdam wil het autoverkeer in de binnenstad met 35 procent verminderen. Volgens het rampenscenario van de winkeliers gaat dat duizenden banen en miljoenen guldens inkomstenderving kosten. “Als je de toegangswegen van de stad dichtknijpt, bloedt de binnenstad dood”, zegt de voorzitter van de winkeliersvereniging A. Wilmont. Eerst moeten volgens hem de beloofde parkeergarages en de geplande metrolijn vanuit Amsterdam-Noord naar Schiphol worden gebouwd, dan pas mag worden gedacht aan het verbannen van de auto. “Anders betekent dat de afbraak van de Kalverstraat.” Dat slechts een vijfde van het winkelend publiek in de binnenstad met de auto komt, zegt volgens Wilmont niets. “Dat zijn juist de mensen met de grootste koopkracht”, vertelt hij.

Eeuwenlang was de Kalverstraat de belangrijkste verkeersader tussen de Dam en de Munt. De smalle straat was er eigenlijk niet op berekend. In oude Amsterdamse kranten stonden geregeld klaagzangen over het 'gerij' en 'geros' van koetsen, karren en omnibussen.

“Gij hoort een rijtuig aankomen, gij ziet in den schrik niet welk, in levensgevaar zoekt gij redding op eene der stoepen”, schrijft de humorist in 1844, “ gij waant u nog niet veilig, gij dringt in huis, en hoort een geratel, een rinkelen van glasruiten, herstel u, het voorwerp dat u angst aanjoeg is reeds voorbij.”

In 1845 werd de Kalverstraat als eerste Amsterdamse straat geasfalteerd. De ouderwetse, uitstekende uitstalkasten werden in 1861 verboden en de hoge, losse stoepen van de huizen werden vervangen door één langgerekt trottoir. De koetsen en karren ginger er alleen maar wilder door rijden. Pas in 1971 werden de auto's uit de winkelstraat geweerd. De middenstand lijkt er niet echt onder geleden te hebben. Zo'n kwart miljoen mensen lopen iedere week door de Kalverstraat.

'Een kwartier voor God' staat op een houten bord voor de kerk De Papegaai. De 'inloopkerk' - “dagelijks voor iedereen toegankelijk” - zit ingeklemd tussen spijkerbroekenzaak en souvenirshop. De meeste passanten slaan de uitnodiging af om vijftien minuten van hun tijd aan de Heer te geven. Alleen twee orgelmannen parkeren hun antieke draaiorgel voor de deur. Binnen zitten enkele oudere dames. Een verdwaalde toerist steekt een kaarsje aan bij het beeld van het Heilige Hart. Zou hij weten dat de Kalverstraat ooit een belangrijk bedevaartsoord was?

Het begon in 1345. In het boekje 'Kalverstraat 600 jaar' beschrijft Johan van der Tol hoe in de nacht van 15 op 16 maart een mirakel plaatsvond. Ergens in een huis aan de Kalverstraat lag een ernstig zieke man. Vlak nadat hij een hostie toegediend had gekregen, moest hij overgeven. Het braaksel werd in het haardvuur gegooid. Toen zijn vrouw de volgende ochtend het vuur wilde oprakelen, zag zij boven de vlammen een hostie zweven. Met haar blote handen haalde zij het sacrament uit het vuur. De hostie werd door een priester naar de kerk gebracht, maar keerde tot twee keer toe op wonderbaarlijke wijze terug naar het huis in de Kalverstraat.

Al snel werd de plaats van het wonder beschouwd als een heilige plek. Op de plaats van het huis werd een kapel gesticht en het verhaal van het mirakel zinderde door het land. Duizenden pelgrims trokken naar de Kalverstraat. Nog altijd wordt eens per jaar de Stille Omgang gehouden, een tocht langs de plaats van het mirakel.

Alsof hij de straat zelf heeft geschapen, loopt de voorzitter van de winkeliersvereniging met brede gebaren door de Kalverstraat. Af en toe wijzend op de zee van schreeuwerige uithangborden en de hinderlijk geplaatste schoenenrekken. Volgend jaar wordt alles anders, zegt Wilmont. Iedere winkel mag dan nog maar één bord aan de pui hebben hangen en uitstallingen op straat zijn niet langer toegestaan. Om de winkelstraat 's avonds aantrekkelijker te maken komt er nieuwe verlichting en langzaamaan moeten de metalen rolluiken worden vervangen door doorzichtige. “Maar het opvoeden van winkeliers kost tijd”, weet Wilmont.

“De Kalverstraat is een straat met twee gezichten”, schreef de Amsterdamse burgemeester E. van Thijn in het voorwoord van 'Kalverstraat 600 jaar'. “Het daggezicht is dat van de drukke en gezellige winkelstraat. Het avondgezicht dat van gesloten winkelpanden met daarboven vele lege, onbewoonde ruimten.” Vooralsnog bepaalt een gordijn van metalen rolluiken het beeld van de Kalverstraat na sluitingstijd. Of zoals de humorist het al in 1844 zei: “Zij gelijkt dan veel op een reusachtige slang, die op de loer ligt en het geschikte tijdstip afwacht om haren prooi te overweldigen.”

    • Monique Snoeijen