'Wie spaart is een lulletje'

Als het aan exploitanten van beleggingsfondsen ligt zitten we straks allemaal in fondsen en niet meer in (spaar)rekeningen, eigen aandelen of obligaties. Dat is toch hopeloos ouderwets! Ze zijn enthousiast over de toekomst en kijken al naar het jaar 2000. Waarom? Is de wens de vader van de gedachten?

Misschien vanwege de overvloed aan financiële middelen bij een deel van de bevolking. Mensen bezitten wat ze nodig hebben aan luxe en comfort. Intussen stroomt het geld van alle kanten binnen: salaris, bijverdiensten, beleggingen, tweede salaris, erfenissen, schenkingen van ouders gedreven door fiscale angst enzovoort. Hoe krijgen ze het allemaal op, vragen financiële strategen zich af.

Fondsmannen (weinig vrouwen!) menen dat een groeiend deel van die stroom belegd zal worden, omdat men minder huizen, auto's en andere produkten koopt. Daar komt bij dat inflatie en rente laag zullen blijven en spaarrekeningen en deposito's dus bijna niets opleveren. Daarom zoekt iedereen naar meer rendement en komt vanzelf uit op aandelenbeleggingsfondsen in allerlei kleuren, geuren en smaken, want daar moet het van komen.

Het evangelie van de fondswereld luidt ongeveer: wie spaart is een lulletje, wie belegt en risico durft te nemen is een man of vrouw van deze tijd.

De dochter van een grote verzekeraar hamert die boodschap erin met een advertentie vol strafregels Ik zal nooit meer gewoon sparen en beveelt daarna het eigen beleggingsplan aan. Daarin geeft men geen garantie voor het eindkapitaal, maar suggereert een torenhoog rendement. Toch heet dit sparen. Daarmee worden consumenten die het verschil tussen sparen en beleggen niet kennen, misleidt. Deelnemers zijn in feite tegelijk verzekerde èn verzekeraar, de uitbater van zo'n fiscale vluchtheuvel van 15 of 20 jaar loopt geen enkel risico. Mocht er iets gebeuren met de ingelegde gelden dan zal de moedermaatschappij snel de plooien gladstrijken om haar goede naam te beschermen. Niemand zal er iets over horen. Zoveel geluk hebben de verzekerden van de in opspraak zijnde Veldhovense verzekeraar Vie d'Or niet.

De maatschappij werd in 1985 opgericht als een besloten clubje om lijfrente-koopsompolissen van honderd Akzo-bestuurders in onder te brengen. Niks bijzonders. Vandaar de speelse naam een gouden leventje. Eind 1987 bleek deze vorm van eigen beheer te duur en te omslachtig en opende men noodgedwongen de deur voor ondernemers, directeuren-grootaandeelhouders en vrije beroepers die wilden ontsnappen aan de fiscus.

In september 1990 zei directeur Van Santen in het Eindhovens Dagblad: 'Eigenlijk is Vie d'Or geen levensverzekeraar, want het risico wordt door ons herverzekerd. Wij houden ons bezig met beleggen. Ons uitgangspunt is in feite vermogensbeheer en dat doen we met een licentie voor levensverzekeraar'.

De voormalige directie blijkt vooral het eigen vermogen goed te beheren: er zijn miljoenen guldens achterovergedrukt. Los daarvan blijft de vraag hoe dit kon gebeuren. Er waren allang klachten van verzekerden over de gebrekkige administratie, de slechte bereikbaarheid en de kennis van het personeel. Maar assurantietussenpersonen bleven die polissen aanbevelen.

De Verzekeringskamer waarschuwt ze. Er komen accountants over de vloer, een actuaris. Die zien en horen alles wanneer ze dat willen. Welke betekenis heeft zeker in het woord verzekering? Is de Verzekeringskamer een badmeester met watervrees die pas uit zijn hokje komt nadat de drenkeling door anderen uit het water wordt gehesen?

Of moet je Vie d'Or zien als een signaal? De eerste van een reeks (kleine) verzekeraars en verzekeraar-achtige bedrijven die ten ondergaan aan beloften en garanties in de jacht op de hoge rendementen op aandelen? Dat hoeft niet, want fondsen, banken met hun huisfondsen en verzekeraars zijn juist bezig om alle risico's te verleggen naar hun deelnemers via koppeling aan beleggingen. De garanties zijn minimaal en in tegenspraak met de borstklopperij van fondsbeheerders die veel beloven op lange termijn. Als iedereen maar geld blijft stoppen in die fondsen krijg je vanzelf een bodem onder de markt, menen zij. Daarom moeten spaarders een hekel aan zichzelf krijgen door net te doen of ze lulletjes en dozen zijn.

    • Adriaan Hiele