Van de mediawet geen nieuws

De technische ontwikkelingen in de massamedia gaan razend snel en nopen tot steeds grotere investeringen. Daarvan is weinig te merken in het 'Stonehenge' van medialand: het Hilversumse omroepbestel. Men zou verwachten dat de nieuwe mediawet daar iets aan doet. Maar niets is minder waar.

Op 13 oktober trok B. Geersink, directeur gemeenschappelijke diensten van de NOS, in een artikel op deze pagina over de aanstaande wijziging van de mediawet tenminste één conclusie die ik met hem deel: er woedt een mediaoorlog in Nederland en in Europa. Maar zoals de meeste berichten over dit onderwerp getuigt ook zijn artikel van een eenzijdige benadering. De discussie over de mediawet wordt namelijk hoofdzakelijk door de belanghebbenden gevoerd. Wat nodig is, is een analyse die verder reikt dan de achtertuin van Hilversum. Want de veranderingen volgen elkaar in hoog tempo op. Wie zich daar niet op tijd tegen wapent zal binnen afzienbare tijd het loodje leggen.

De technische mogelijkheden zijn haast onbeperkt. Zo zal de glasvezelkabel ons leven drastisch veranderen. Waarom zal men nog naar een videotheek lopen om banden te huren, als één telefoontje naar de tele-computer van dat bedrijf voldoende is om onbeperkt films te bekijken? Het is nu mogelijk honderden zenders op de kabel te zetten door middel van data-compressie. Via telefoon- en kabelnet zal een stortvloed aan interactieve beelden en geluiden onze huiskamers binnenstromen. Vele miljarden guldens waren nodig om deze technische hoogstandjes te ontwikkelen, nog afgezien van de uitvoeringskosten. Dat geld kan alleen worden terugverdiend wanneer de bedrijven die zich hiermee bezighouden vergaand samenwerken. Fusies en overnames onder mediaconcerns zijn dan ook aan de orde van de dag. Wat overblijft, is een oligopolie: veel vragers en enkele zéér grote aanbieders, waardoor de kans op kartelvorming steeds groter wordt.

Programmarechten worden sinds jaar en dag bij opbod verkocht. Met de komst van nieuwe mediagiganten als CLT en Bertelsmann, die de markt internationaal bedienen, zijn de prijzen voor programma's fors gestegen. Zenders met een relatief kleine markt trekken voortaan aan het kortste eind. Voorspeld wordt dat de NOS na 1996 onvoldoende middelen zal hebben om grote sportevenementen uit te zenden. Maar sport is wel de kurk waar de publieke omroepen op drijven; zonder sport daalt hun marktaandeel van de huidige 40 procent-plus naar 30 procent-min.

Onlangs bleek de macht van RTL 5, die als enige de voetbalwedstrijd Nederland-Engeland uitzond. Gemeenten gingen massaal overstag om RTL 5 op de kabel te krijgen. Wie de Olympische Spelen van de toekomst wil volgen, behoeft slechts zijn pin-pas door een gleuf in zijn televisietoestel te halen. Degene die dan de uitzending verzorgt, zal vervolgens 75 gulden van de kijkers bankrekening afschrijven.

In schril contrast met deze ontwikkelingen staat het Stonehenge van de mediawereld: het Hilversumse Omroepbestel. Met handen en voeten gebonden aan een verouderde mediawet, wordt het de publieke omroepen in ons land, die eigenlijk particuliere omroepen zijn, onmogelijk gemaakt op al deze technische en economische veranderingen in te spelen. Dat er dus een wijziging van de mediawet moet komen, is overduidelijk. Die wijziging zou moeten leiden tot een versterking van de positie van een waarlijk publieke omroep. Want niemand wil uitsluitend commerciële televisie. Er moet veilige en verzekerde zendtijd blijven voor programma's van gemeenschappelijk (nieuws, sport, nationale evenementen) en maatschappelijk belang (cultuur, minderheden). Dergelijke programma's vervullen een publieke functie. Zoals André van der Louw onlangs op deze plaats schreef: “Centraal dient te staan het belang van een breed en gevarieerd informatie-aanbod.” Dat moet dus goed geregeld zijn.

Maar het wetsvoorstel zal de hoognodige fundamentele verandering binnen ons omroepbestel niet teweegbrengen.

De wetswijziging voorziet in een zendconcessie voor de huidige omroepen van tien jaar. Daarmee geeft minister d'Ancona de omroepen een alibi om door te gaan met ruziën, vergaderen en geld verkwisten. Dit jaar wordt in totaal 850 miljoen gulden geïnd om ons ondoelmatige omroepbestel kunstmatig op de been te houden. Geen echte verandering, maar meer van hetzelfde. Het commissariaat voor de Media spreekt zelfs over 'terug bij af'. Ook verstevigt de wetswijziging de macht van WVC. Zo krijgt de minister extra bevoegdheden en kan zij meer dan nu bepalen wat de omroepen op het scherm moeten brengen.

Door binnen de NOS meer bevoegdheden aan het dagelijks bestuur te delegeren, hebben de omroepen, die daarvan deel uitmaken, meer ruimte gekregen voor hun deelbelangen. Verder moet binnen het bestel “beter worden samengewerkt”. Als dat betere afstemming van programma's op elkaar en bestrijding van geldverkwisting betekent: akkoord. Een simpele vergelijking tussen de huidige zendgemachtigden en RTL 4 en 5 laat zien dat bij de eerste er alleen al voor televisie 2600 mensen in dienst zijn, bij RTL 4 en 5 niet meer dan 300!

Tenslotte wordt in het wetsvoorstel de NOS gesplitst. Dat hebben we al eerder meegemaakt. Toen ging het om het bezuinigen. Nu heeft het te maken met politieke twisten tussen de zendgemachtigden. Tegenstanders beweren dat die splitsing handen vol geld gaat kosten. Aanvankelijk zag de minister niets in het plan. Maar omdat zij de VARA tevreden wilde stellen, ging zij overstag. Zolang er rust heerst in Hilversum is de minister royaal. In de achterkamertjes van WVC is dus een lelijk compromis in elkaar gedraaid dat alles met deelbelangen te maken heeft en niets met het algemeen belang, laat staan met een echte versterking van de publieke functie van het Omroepbestel.

Wat moet er dan wel gebeuren om orde op zaken in Hilversum te stellen? Een fundamentele herziening van het mediabeleid is om tenminste een drietal redenen dringend gewenst.

In de eerste plaats wordt in het mediabeleid te weinig uitgegaan van de communicatievrijheid, zoals die is neergelegd in de Grondwet en in internationale verdragen. De overheid regelt, gebiedt en verbiedt te veel. In de tweede plaats wordt onvoldoende gebruik gemaakt van de technische mogelijkheden. De ruimte op de kabel en via een satelliet heeft het schaarste-argument, dat als een rechtvaardigingsgrond voor overheidsinterventie gold, grotendeels weggenomen. In de derde plaats verkeren de Hilversumse omroepverenigingen in zodanige problemen, dat een drastische reorganisatie geboden is.

Allereerst dient daarbij de rol van de overheid opnieuw te worden geformuleerd. Uitgangspunten moeten daarbij zijn: communicatievrijheid, pluriformiteit en het tegengaan van monopolieposities. Nu door de technische vooruitgang schaarste geen argument meer is om omroepen te weren, kan de overheid terugtreden ten gunste van de private omroepsector.

De rol van de overheid heeft dan, afgezien van ad hoc interventies, nog twee dimensies. In de eerste plaats is regulering nodig in een sector waar nog wel schaarste is (de ether) of om technische storingen te voorkomen. De overheid is hier als het ware verkeersagent. In de tweede plaats moet de overheid formuleren welke publieke functies dienen te worden vervuld. Hierboven heb ik er al enige genoemd. Thans wordt nog te veel gedacht in termen van 'publieke omroepen' en te weinig in die van 'publieke functies'.

Te lang hebben wij de omroepen van Hilversum bestempeld als publieke omroepen, terwijl zij toch particuliere omroepen zijn. Te lang ook heeft de staat deze particuliere ondernemingen met overheidssteun overeind gehouden. Waarom zouden amusementsprogramma's die ook op commerciële basis kunnen worden gemaakt, uit openbare middelen worden bekostigd? De overheidskas moet alleen dienen voor programma's die niet in de markt kunnen ontstaan.

Publieke functies horen thuis op één nationaal net waar de kwaliteit centraal staat. Het verdient de voorkeur dat die publieke functies door een onafhankelijke en zelfstandige NOS worden vervuld. De andere omroepen maken dan geen deel meer uit van het NOS-bestuur. De publieke functies worden gefinancierd uit de omroepbijdrage. Dus geen reclame op dit nationale net. De overige twee netten staan dan ter beschikking van de huidige zendgemachtigden en van commerciële omroepen, die alle vrijheid krijgen en zich mogen financieren zoals zij willen: uit eigen inkomsten (programmabladen), contributies, reclame of via sponsoring. Een variant op dit model zou kunnen zijn dat niet alle publieke functies door de NOS worden vervuld, maar dat een deel ervan op contractbasis door de andere omroepverenigingen wordt uitgevoerd.

Wat zijn de voordelen van deze veranderingen? Ten eerste worden de huidige zendgemachtigden eindelijk bevrijd van tal van geboden en verboden, die hun verdere ontwikkeling in de weg staan. Zij krijgen de ruimte voor een eigen beleid. Ten tweede zal iedere zendgemachtigde zijn bestaansgrond in concurrentie met commerciële omroepen moeten bewijzen. Ten derde behoeven met de omroepbijdrage alleen nog programma's te worden gefinancierd die een echt publieke functie hebben. De omroepbijdrage kan dus worden verlaagd. Tenslotte is ons nationale cultuurgoed door het wettelijk vastleggen van de publieke functies gewaarborgd. Angst voor uitsluitend commerciële omroep is dan niet meer nodig.

    • Frits Bolkestein