TRASSI

'Bij die bruinen stinkt het altijd', hoorde Anneloes op school zeggen, en toen het tot haar doordrong dat de helft van haar familie bruin was, moest ze stilletjes bekennen dat het daar soms stonk.

Ze was tien en ze had tot dan toe gedacht dat ze was zoals ze eruit zag: een gewoon Hollands meisje. Daarna sloeg de verwarring toe, of zoals ze het later zou formuleren: ze was 'zichzelf een beetje kwijtgeraakt''. Nu ze achtendertig is waagt Anneloes Timmerije zich aan de finale coming-out met het boek Gemengde Gevoelens dat deze week is verschenen. Het is een aandoenlijke speurtocht naar de culturele chaos uit haar jeugd en naar de betekenis van de trassi-lucht, 'die zware geur van het oude Indië''.

Acht procent van de ruim negentigduizend huwelijken die jaarlijks in Nederland worden gesloten, blijken 'gemengd' te zijn en het aantal kinderen met een blanke en een gekleurde ouder wordt geschat op achthonderdduizend. Toch is nog maar weinig bekend over dit letterlijke gevolg van de oudste en misschien wel meest doeltreffende oplossing van de multiculturele samenleving die wordt aangeduid met de term 'melting pot'. Hoe is het leven van al die 'halfbloedjes', hoe gaan ze om met de dubbele cultuur, welke keuzes maken ze, op welke manier wordt dat beïnvloed door de rol van de vader en de moeder in het gezin?

Het werk van Anneloes Timmerije is een eerste, schoorvoetende inventarisatie. Ze voert gesprekken met zeventien van haar lotgenoten, halve Antillianen, Surinamers, Turken, Marokkanen, Russen, Finnen, en ze brengt het resultaat op een lichte manier in kaart, op een introverte toon, die soms een beetje sentimenteel aandoet. Maar het gáát ook om sentimentele problemen, om kleine gevoelsmatigheden en triviale stijlkenmerken, die vroeger door antropologen uitvoerig werden beschreven, als ze in Afrika of Brazilië werden aangetroffen, maar die uit het oog werden verloren toen ze zich vlak voor onze neus voordeden. Culturele confrontaties lijken alleen interessant als moskeeën in brand staan, terwijl het meestal niet gaat via vecht- en scheldpartijen, maar via hartstocht, liefde, seks. Er zijn heus geen zevenduizend interetnische gewelddadigheden per jaar, maar wel evenzoveel huwelijken.

De culturele verschillen verdwijnen er niet door, integendeel, ze planten zich voort. Of zoals Anneloes Timmerije het zegt: het is tussen haar Hollandse vader en Indische moeder altijd een goede gewoonte gebleven om elkaar bij meningsverschillen van culturele aard geen haarbreed toe te geven. Als kind zat zij daar tussenin, 'want een versmelting van twee verschillen levert niet automatisch een leuke, gematigde vermenging op.''

Trouwens, ook biologisch niet. Sommige nakomelingen uit gemengde relaties zijn bruin en kroes, maar sommige zijn roomblank en blond, wat tot grappige situaties kan leiden. Zoals bij Altan Erdogan, een journalist die een prijs kreeg voor zijn werk over etnische problemen en zich vlak voor de prijsuitreiking realiseerde dat het publiek een Turkse jongen verwachtte: 'Nee'', zei hij, 'ik ben niet een omgekeerde Gunter Wallraff.''

De meeste respondenten vinden de culturele verschillen waartussen ze verkeren maar lastig. Ze worden migranten van de tweede generatie (en van de derde en de vierde, het houdt echt nooit op, lijkt het), die zich thuisloos en onzeker voelen in het sociale verkeer, omdat ze nooit precies weten 'hoe het hoort'. Onvoorwaardelijk op je gemak zijn, als een vis in het water, dat is hun simpele maar onbereikbare verlangen. Of zoals een Surinaams meisje het zegt: 'Ik ben in twee culturen een buitenstaander en ik hoor bij allebei. Dat klinkt leuk, maar dat is het niet.''

De verhalen zitten vol understatements, kleine en onverwachte ergernissen, in plaats van drama's over 'waarden en normen'. Het verhaal van Fairouz, met een Marokkaanse vader en een Hollandse moeder, vormt hierop een uitzondering. Bij het eerste gesprek maakt ze duidelijk dat ze niets bijzonders te melden heeft, omdat ze 'voor honderd procent Hollandse'' is. Pas bij latere ontmoetingen blijkt de reden daarvoor: haar vader had inderdaad 'eigenschappen' die te maken hadden met zijn cultuur. Hij was modern, in de zin dat hij zijn dochter wilde laten doorleren, maar traditioneel wat betreft haar vriendjes: 'Als ik bijvoorbeeld twee keer de naam van een jongen uit mijn klas had genoemd, wilde mijn vader precies weten wie dat was en wat hij met mij te maken had. Mijn moeder wist altijd alles van mij, maar voor mijn vader moest ik dingen verborgen houden. Het waren onnozele dingen, in onze ogen. Niet de moeite waard om ruzie over te krijgen. Hij was volstrekt inconsequent. Dat vond ik nog het moeilijkste, daar is bijna niet mee om te gaan.''

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan, want Fairouz valt, juist ja, op Marokkaanse mannen: 'donker haar, donkere ogen en een gevaarlijke uitstraling.'' Het is de dominantie die haar aantrekt, ook al heeft ze er slechte ervaringen mee, zoals die keer toen ze met een Marokaanse jongen uitging: 'Na een borrel begon de jongen al in m'n bovenarm te bijten en zijn vingers in mijn mond te stoppen. Hij wilde meteen alles.'' Maar had haar vader haar niet gewaarschuwd: 'Neem nooit een drankje van ze aan, want dat schept verwachtingen''?

Behalve Fairouz blijven de overige respondenten schimmen, en dat is jammer. Maar het verhaal van Anneloes Timmerije zelf, en haar aandacht voor de onzichtbare gênes en gevoeligheden, maakt veel goed: 'Voor de Hollanders geldt: wat je ziet is wat je krijgt, geen kapsones, wat afstandelijk. Bij het Indische deel kan wat je ziet van alles betekenen; er wordt gepraat en gedacht met omwegen, (...) hoffelijkheid, elkaar niet kwetsen, een ander niet lastig vallen, (...) er nooit achter komen wat iemand echt denkt.''

Via de culturele strubbelingen van de schrijfster komen we achter de leuke, kleine en uiterst belangrijke verschillen, zoals het feit dat Hollanders opgedoft op een etentje verschijnen en daarbij deftige conversaties willen voeren, terwijl Indische mensen druk door elkaar kwebbelen, zelf naar de keuken lopen en met hun bord op schoot zitten. Daarentegen zijn Hollanders in de dagelijkse omgang vaak wat bot en luidruchtig, in vergelijking met de stille beleefdheid van de oosterlingen, die steeds rekening houden met elkaar. Het aardige van Anneloes Timmerije is dan dat ze in dit geval rustig kiest voor de Hollandse horkerigheid. Hoewel het haar zelf niet zo goed lukt, stelt ze de Hollandse openhartigheid op prijs. Ze praten over zichzelf en stellen persoonlijke vragen, terwijl de mensen uit haar Indische familie afwachten, zichzelf nooit op de voorgrond plaatsen, de aandacht altijd op de ander richten en intieme kwesties vermijden.

Op een punt wint haar moeders familie glansrijk: de hygiëne. Hollanders mogen dan wel vinden dat de trassi van de Indo's stinkt, maar de Hollanders ruiken naar 'ongewassen billen', zoals haar moeder het zei. Ze tjebokken niet, ze gebruiken alleen een stuk papier. Desondanks weet het Indische meisje zich van schaamte geen raad, als haar Hollandse vriendin bij haar naar de wc gaat en nieuwsgierig vraagt wat die plastic flessen met water daar doen. Gelukkig gaat het niet altijd om zulke diepgaande culturele kwesties, maar om onopvallende wrevels: 'Manga's schil je van je af, en niet naar je toe'', zegt de moeder. 'Wat maakt het uit hoe je zo'n ding schilt'', antwoordt de vader, 'en het is volgens mij mango'' (terwijl iedere rechtgeaarde Surinamer weet dat het eigenlijk manja is).