Tijd om de sla op te binden

Hoewel ik de tuin van Christopher Lloyd bij Great Dixter in Sussex met eigen ogen heb gezien durf ik niet te beweren dat ik als gevolg daarvan die tuin ook ken; daar zouden veel meer bezoeken voor nodig zijn en op verschillende tijdstippen van het jaar. Nee, wat ik van die tuin weet berust voor een groot deel op het lezen van zijn boeken. Ik beweer niet dat lezen een volledig substituut kan zijn, maar het is wel een goede alternatieve route tot wat essentieel en de moeite van het weten waard is. Het interessante is het aandeel daarin van literaire kwaliteit: het enthousiasme dat je voor die tuin krijgt heeft ook iets te maken met het feit dat Christopher Lloyd zo'n begaafde schrijver is - ik denk de beste schrijver over tuinieren in het Engelse taalgebied.

Na zijn schrijven al een poosje te hebben ontbeerd - zijn laatste boeken waren in samenwerking met anderen, of fotoboeken - wierp ik mij op het zojuist verschenen In My Garden met dezelfde hartstocht als een van zijn eigen merels in Great Dixter op de afgewaaide appels. Een van deze merels, bekend als Blackie, waagde zich bij het fourrageren zelfs in de appelschuur: 'Zij scheldt ons uit en jaagt wie haar niet kent de stuipen op het lijf als we de deur niet zo wijd open laten dat zij erdoor naar buiten kan vliegen.'' Deze aardige vogel maakte een keer haar nest in de tuinschuur: 'Ik was afwezig tijdens het weekend dat de jongen uitvlogen, maar Moffatt was er op het kritieke moment en zegt dat ze allemaal achter elkaar de deur uitwandelden als een regiment eenden. We misten hun gezelschap''.

Dat is een van de dingen waar je je zo aan hecht in het schrijven van Lloyd: het gezelschap. En niet alleen het zijne: geestig, deskundig en koppig, maar ook dat van de anderen om hem heen, waaronder de gestorvenen: zijn vader die samen met Lutyens de tuin ontwierp; zijn moeder die Dryopteris filix-mas (mannetjesvaren) onder een droge muur van het huis plantte ('deze volkomen adequate en simpele aanplant was mijn moeders idee en het doet het al zeventig jaar zo goed dat er niets aan veranderd hoeft te worden'') en die, 'een standvastige medeplichtige met een minimaal geweten'', in de tuin van de Royal Horticultural Society bij Wisley heimelijk een stek van een Daphne tangutica ontvreemdde terwijl de tuinlieden niet in de buurt waren; zijn broers, die alleen maar naar Great Dixter lijken te komen om aanmerkingen te maken ('Is het niet bedroevend dat andere leden van de familie zo weinig van de visionnaire kwaliteiten en verbeelding bezitten waar je zelf mee begiftigd bent?''); vrienden, zoals Pame la Milbourne, eigenares van een Eleagnus x ebbingei waar Lloyd zo het land aan had dat hij 'er een gewoonte van maakte er met zijn achterbumper tegenaan te rijden'' bij het parkeren; bezoekers van zijn tuin, van wie een het zulke knudde vond dat hij aan Lloyd schreef: 'Ik informeerde bij een van de tuinlieden of U misschien kortgeleden was overleden''; de opdringerige nabijheid van Vita Sackville West, want Sissinghurst is maar luttele mijlen van Great Dixter verwijderd; kinderen ('Je denkt wel eens dat voor kinderen eigenlijk het dubbele in plaats van het halve tarief zou moeten worden betaald''); tekkels, duidelijk de enige soort hond om te hebben in een serieuze tuin; en de eerdergenoemde merels.

Hier is zijn eigen beschrijving van hoe hij de tuin betreedt: 'als iets in de geest van de Witte Ridder, zij het dat ik niet de moeite neem een kolenkit op mijn kop te dragen''. Je krijgt het gevoel dat hij zich soms achter de struiken verschuilt om de stomme opmerkingen af te luisteren die de bezoekers van zijn tuin tegen elkaar maken (ik dank de hemel dat ik alleen was toen ik daar rondliep). Ik heb, hoe fraai het ook leest, moeite hem te volgen wanneer hij geuren beschrijft, maar zijn beschrijvingen van dingen om te eten zijn ongeëvenaard. Er is er een over het eten van peren en een dito over walnoten, zo schitterend dat je ze nooit meer vergeet. Er is ook een heleboel over groente, niet alleen over het kweken maar ook over het eten ervan; er is een hoofdstuk met de onvergetelijke titel: 'Time to stake the lettuces'; ook heel mooi is: 'Nothing frightens a mushroom back underground so easily as the sight of an approaching basket'. Hij is speels met de taal en schrijft bijvoorbeeld: 'bizzy lizzy (busy lus)', of: waarom spreken van 'node' als je ook 'joint' kunt zeggen: 'You can't make an adjective of joint to mean the same thing as nodal... A joint cutting, if it meant anything, would mean that you made it holding hands with your wife or apprentice.''

De manier waarop Christopher Lloyd planten observeert is meeslepend. Het boek staat vol terzijdes als deze (over Ozothamnus ledifolius): 'Het is moeilijk te achterhalen waar de expressie van inwendige vreugde op berust die in deze heester schijnt op te wellen''. Mijn aantekeningen wemelen van memoranda als 'Dryoperis wallichiana kopen' - dat is een plant waarover Lloyd schrijft: 'De jonge scheuten van D.w., die wanneer hij bezig is wel de meest opwindende varen moet zijn die je in een gematigd klimaat kunt wensen te ontmoeten, hebben iets onmiskenbaar reptielachtigs. Zij is bedekt met donkerbruine schubben als zij verschijnt, de gevederde uitlopers zelf zijn van het bleekste, tederste groen.'' Ook is het plezierig om te zien hoe hij zijn eigen smaak niet al te serieus neemt: 'Dat we ons oordeel over de merites en de status van de planten waar we mee leven moeten herzien is geen schande. Dat hoop ik althans, want ik constateer vaak dat mijn opinies zo onstabiel zijn als een weerhaan.''

Christopher Lloyd heeft, enigszins tot zijn verdriet, de reputatie van een kieskeurige plantenhater ('Hoe kan Polygonum affinis 'Donald Lowndes' zo mooi en effectief zijn en toch au fond zo'n nare plant? Ach, zo is het met mensen ook vaak''); hij maakt grappen over heidekruid, verbeterde Afrikaantjes en hybride theerozen, maar toch voel je in alles wat hij schrijft een superieure observatie van-, en grote liefde voor planten, gepaard aan een objectieve en volstrekt onsentimentele houding tegenover hun aanwending in de tuin. Kortgeleden (25 oktober) stond in The Independent een artikel van James Fenton, waarin hij Lloyd de les leest over zijn privé kruistocht tegen rozen, begonnen met het besluit om de meeste rozen uit de rozentuin van Great Dixter (oorspronkelijk aangelegd door Lloyds ouders) te verwijderen en uitgegroeid (volgens Fenton) tot een 'campagne tegen de rozen zelf': 'Toen hij de daad tenslotte volbracht had voelde hij, zoals een kind dat iets misdaan heeft, dat hij er op een dag onvermijdelijk voor zou worden gestraft. En dus probeert hij, om de hogere machten zand in de ogen te strooien, ons er allemaal bij te betrekken door ons ook onze rozen te laten rooien.''

Maar Christopher Lloyd was al in The Well-Tempered Garden (1970) kritisch over rozen en vooral over de rozentuin; ook in dit boek omschrijft hij oude rozen als 'een week van pracht gevolgd door elf maanden van verziekte misère'', een beschrijving die ook naar mijn ervaring onloochenbaar juist is. Natuurlijk kan het rooien van het pièce de résistance van een tuin aangelegd door Lutyens en liefdevol onderhouden door je ouders alleen maar een zware opgave zijn, zoals ook blijkt uit hoe lang hij er over heeft gedaan (het artikel waarin hij de kaalslag van die rozen beschrijft - hij liet er ook een paar staan - dateert van april dit jaar). Wat Fenton Lloyd au fond verwijt is een gebrek aan sentimentaliteit; wat hij zegt is: de roos neemt in ons hart een speciale plaats in, en nu vertel je ons dat ze naar de vuilnisbelt moeten. Maar niemand is verplicht om alles te doen wat Christopher Lloyd doet; als je hem goed leest is er voor deze kritiek geen aanleiding, de kwestie is meer dat hij zo aanstekelijk schrijft en je eigen verborgen gevoelens voor je onthult. 'Ik zie niet in'', schrijft hij, 'waarom ik de slaaf moet zijn van deze ene bloem, die in mijn affectie geen grotere plaats inneemt dan menige andere.''

De tuinier is aangewezen op de planten die hij tot zijn beschikking heeft en als je een tuin wilt maken zo mooi als Great Dixter moet je niet te weekhartig zijn en ze zo gebruiken dat ze het best tot hun recht komen; dat bereik je niet met sentimentaliteit. Dat is inderdaad wat in het tuinieren het moeilijkst is, maar het minste dat je bij het streven naar dit ideaal kunt doen is lachen om jezelf terwijl je er mee bezig bent. 'Natuurlijk is tuinieren niet voor ons genoegen. Nee, nee, zeer zeker niet. Dat is ook nooit de bedoeling geweest. Er is niets deugdzaams aan genoegen. De harde discipline, het moeizame ploeteren, dat zijn de karaktervormende attributen van onze - ik had bijna gezegd: hobby - van onze missie.''

In my garden. Bloomsbury, Londen 1993 - een nieuwe selectie uit de artikelen die Lloyd sinds 1963 zonder onderbreking ééns per week in 'Country Life' heeft geschreven.

    • Sarah Hart