STERREN

Bolwerk van de sterren door C. de Jager, H.G. van Bueren en M. Kuperus 219 blz., geïll, Bekking 1993, ƒ 49,50 ISBN 900 6109 323 6

Het is vandaag precies 350 jaar geleden dat de eerste sterrenkundige waarnemer in Utrecht werd benoemd. Hij bewoonde de Smeetoren, een van de oudste verdedigingswerken van de stad. Voor de Utrechters: die stond op de hoek van de Lange Smeestraat en de binnenzijde van de Catharijnesingel. De toren was een jaar eerder (1642) voorzien van een verbreed platform, met daarop een eenvoudig huisje, en aldus gereed gemaakt voor 'astronomische speculatiën', zoals astronomische waarnemingen toen werden genoemd.

De sterrenwacht in Utrecht was de tweede sterrenwacht ter wereld die aan een universiteit werd verbonden. De eerste was die van Leiden uit 1633. Dat Nederland op dit gebied voorop liep is niet zo verwonderlijk. De Tachtigjarige Oorlog was bijna voorbij en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zou als een der machtigste landen van Europa uit deze oorlog te voorschijn komen. Kunsten en wetenschappen kwamen tot ontwikkeling en zeevaart (navigatie) bracht de noodzaak met zich mee tot het verwerven van sterrenkundige kennis.

Ter gelegenheid van het 350-jarig bestaan van de Utrechtse sterrenkunde werden in het afgelopen jaar vele activiteiten op astronomisch gebied in die stad georganiseerd: lezingen, tentoonstellingen en rondleidingen door de oude sterrenwacht. Doel daarvan was een breed publiek te informeren over de sterrenkunde in het algemeen en die in Utrecht in het bijzonder. Dat is ook het doel van het boek Bolwerk van de sterren, geschreven door drie astronomen.

In het eerste deel van het boek wordt de geschiedenis van de Utrechtse sterrenwacht beschreven. De sterrenwacht bleef tot 1853 gevestigd op bovengenoemde Smeetoren, maar verhuisde toen naar het bolwerk Sonnenborgh, een van de negen bolwerken rond de stad Utrecht. De vestiging op Sonnenborgh was voor een belangrijk deel te danken aan de natuur- en weerkundige Buys Ballot. Deze had in Brussel gezien hoe daar een sterrenwacht en meteorologisch observatorium naast elkaar waren gebouwd en iets dergelijks, zo stelde hij voor, zou ook in Nederland moeten gebeuren.

Het in 1854 opgerichte Koninklijk Meteorologisch Instituut was dan ook tot 1896 gevestigd naast de Utrechtse sterrenwacht. Daarna verhuisde het KNMI naar De Bilt, waar men minder last had van het stadsklimaat. Veel later zouden ook de Utrechtse astronomen van het fraai gelegen bolwerk verdwijnen. In 1987 verhuisden zij naar de zevende verdieping van het Buys Ballot laboratorium in het universiteitscomplex 'De Uithof'. Een deel van de op Sonnenborgh achtergebleven gebouwen werd overgenomen door amateur-astronomen en ingericht voor popularisering. Vrijwel hetzelfde 'lot' was overigens enkele jaren eerder de sterrenwacht in Leiden beschoren.

Het eerste deel van dit boek is, mede doordat er allerlei stadshistorische en persoonlijke zaken aan de orde komen, toegankelijk voor een breed publiek. Dat geldt echter niet voor het tweede en derde deel, waarin de geschiedenis wordt behandeld van het specifieke Utrechtse astronomische onderzoek: de natuurkunde van zon en sterren. Hier wordt de lezer bestookt met diepgravende verhandelingen over ster-evolutie, plasma-astrofysica en hoge-energie astronomie. In plaats van over dit onderzoek te schrijven gaan de auteurs in op de fysica van wat er onderzocht wordt: vele geïnteresseerden zullen hier afhaken.

In het vierde deel van het boek vindt men beknopte biografieën van alle hoogleraren en lectoren die in de afgelopen 350 jaar in Utrecht sterrenkunde hebben gedoceerd. Een van de beroemdste was ongetwijfeld Marcel Minnaert, die van 1937 tot 1963 directeur van de sterrenwacht was. Deze in Brugge geboren astronoom gaf de aanzet tot de ontwikkeling van de Utrechtse sterrenwacht tot een internationaal hoog aangeschreven centrum van astronomisch onderzoek.

Minnaert was overigens niet alleen astronoom. Hij had een talenknobbel (sprak tien talen), beoefende muziek en schilderkunst en was ook politiek actief (onder andere in de Nationale Jong-Vlaamse Beweging, die voor nauwe samenwerking met Nederland pleitte). Zijn driedelige Natuurkunde van het vrije veld, later in talloze talen vertaald, is voor liefhebbers van natuurverschijnselen nog steeds een soort bijbel. Recentere Utrechtse astronomen timmeren wat minder hard aan de weg.

    • George Beekman