Splitsen bijstand brengt de cliënt nieuwe onvrijheid

De socioloog Romke van der Veen schreef op 2 november op deze pagina dat “de aansluiting tussen de juridische werkelijkheid van de wetgever, de administratieve werkelijkheid van de sociale dienst en de sociale werkelijkheid van de cliënt steeds meer zoek raakt.” Dat Van der Veen vervolgens voorstelt de bijstand in deeluitkeringen op te splitsen ligt minder voor de hand.

Enige jaren geleden werd in discussies over de mogelijkheid van het invoeren van een basisinkomen vaak gesteld dat de bijstand reeds als een vorm van basisinkomen functioneerde en het systeem als zodanig dus al bestond. Inmiddels weten we beter. De bijstand is een uitkering voor de mensen die het zelf niet meer kunnen rooien in de samenleving, maar het is bij lange na geen basisinkomen en ook geen minimumuitkering. Als het nu gaat om het individualiseren van uitkeringen, dan heeft men het in de regel over een uitkering die de helft van het huidige minimumloon zou moeten bedragen. In de nieuwe voorstellen voor de bijstandswet zou dan aan de gemeenten de mogelijkheid moeten worden gegeven om individuele toeslagen te verlenen bovenop deze 50 procent.

In zijn bijdrage aan de Opinie-pagina van NRC Handelsblad van 2 november zegt de socioloog Romke van der Veen de balans op te maken van de onlangs verschenen rapporten over het functioneren van wetgeving en uitvoering inzake de bijstand. Hij heeft het dan vooral over de rapporten van partijgenoot Van der Zwan en van de commissie Doelman-Pel. Aan zijn analyse mankeert niet zoveel. Hij onderschrijft de stelling van Van der Zwan dat de uitvoering van de bijstandswet is vastgelopen in een bureaucratisch moeras. De vele bijstellingen van de wet met het oog op nieuwe samenlevingsvormen, heeft een voor uitvoeringsambtenaren onwerkbare situatie gecreëerd. “De aansluiting tussen de juridische werkelijkheid van de wetgever, de administratieve werkelijkheid van de sociale dienst en de sociale werkelijheid van de cliënt raakte steeds verder zoek”, zo luidt het. Verderop in zijn bijdrage vraagt Van der Veen aandacht voor het dilemma dat zich voordoet tussen “het streven naar rechtvaardigheid en toereikende bijstandsuitkering en de noodzaak van uitvoerbaarheid en controleerbaarheid”. So far, so good. Wat ik echter niet begrijp is hoe Van der Veen na deze kritische beschouwingen het voorstel van het opsplitsen van de bijstandsuitkering in deeluitkeringen nog kan verdedigen. In weerwil van zijn eerdere opmerkingen over bureaucratisering en het verliezen van de aansluiting met de werkelijkheid, is Van der Veen schijnbaar zelf niet in staat het bureaucratisch gehalte van zijn eigen uitspraken te toetsen. Het splitsen van de bijstandsuitkering in deeluitkeringen, die vervolgens weer worden genormeerd naar onder andere woonlasten, is een inperking van de bestedingsvrijheid van de uitkeringsgerechtigde. Een vergelijking met het stelsel van de studiefinanciering is verhelderend. Daar moesten studenten enkele tientjes van hun basisbeurs afstaan in ruil voor een OV-jaarkaart. Ook de studenten die geen belang hadden bij zo'n kaart waren verplicht om een deel van hun beurs in te leveren voor een voor hen nutteloze kaart. Inmiddels wordt op deze deeluitkering in natura gekort, want de OV-jaarkaart wordt omgezet in de keuze tussen een weekend- of een doordeweekse kaart. De studenten hebben geen keus meer, zij moeten de aanpassing slikken. De mogelijkheid om het geld terug te vragen is uitgesloten.

Het verstrekken van deeluitkeringen aan bijstandsgerechtigden is vanuit het oogpunt van bureaucratische controle gezien een logische stap, maar geredeneerd vanuit emancipatie- en burgerschapsmotieven is het een onredelijk voorstel. Bijstandsgerechtigden kunnen dan namelijk niet zelf meer beslissen over de wijze waarop zij hun uitkering willen besteden. Door het maximum dat verbonden is aan de deeluitkering voor woonlasten zal er een strijd losbranden om de relatief duurste woningen in het goedkoopste segment van de huurmarkt. En via de deeluitkering voor kinderen wordt het aantal gewenste nakomelingen van bijstandsgerechtigden voortaan bepaald door de sociale dienst. In een poging de kosten te beheersen, worden niet alleen de uitvoerende diensten aan een centrale surveillance onderworpen maar ook een hele bevolkingsgroep.

Waar al helemaal niet over gesproken wordt is het denivellerende effect wat van de onderhavige voorstellen uitgaat. Door de bijstandsuitkering in een keer met 20 procent tot 50 procent te verlagen, nemen de inkomensverschillen enorm toe. Deze ingreep wordt vaak als een uitkomst van het emancipatieproces aan de man gebracht: uitkeringen worden daarmee geïndividualiseerd, zo heet het. Maar wanneer worden de lonen eens geïndividualiseerd? In een van zijn columns voor de Volkskrant wees de socioloog C. Schuyt onlangs op het feit dat het gemiddelde arbeidsloon nog steeds is afgestemd op de kostwinnersgedachte: men verdient een inkomen dat op zich voldoende is om een heel gezin van te onderhouden. Als we dan toch werk gaan maken van de individualisering, dan stel ik voor om het principe van de 'gelijke monniken, gelijke kappen' in te voeren. Een principe dat vroeger bij de PvdA hoog in het vaandel stond geschreven, maar gezien de economische tegenwind heeft men dit vaandel kennelijk moeten reven en er een kleurloos windvaantje voor in de plaats gehesen.

    • Allan Varkevisser