Oost-Europa moet dringend tot de NAVO toetreden

Een uitbreiding van de NAVO in de richting van Oost-Europa is een kwestie van uiterste urgentie wil het Bondgenootschap niet uiteenvallen. Want Duitsland kan geen 'wild Oosten' aan zijn grenzen gedogen en zal een eigen weg gaan als de rest van de NAVO blijft vasthouden aan verouderde veiligheidsstructuren uit een voltooid verleden. Bovendien kunnen een oostwaartse uitbreiding van de NAVO én bredere samenwerking met Rusland best samengaan.

De Tweede Kamer debatteert volgende week over de toekomst van het buitenlands beleid en het veiligheidsbeleid. Het belang van die discussie is nog nooit zo groot geweest. En nooit eerder werd het door zoveel onzekerheden versluierd. Europa is niet langer verdeeld in Oost en West, maar in regeringen die nog steeds menen dat de politieke agenda van weleer ongewijzigd gehandhaafd kan blijven, en regeringen die de integratie van Oost-Europa in pan-Europese structuren thans het belangrijkst achten.

In februari van dit jaar hebben de ministeries van buitenlandse zaken en defensie de Adviesraad Vrede en Veiligheid gevraagd zijn oordeel te geven over de vorm die de Europese veiligheidsstructuren in de toekomst moeten krijgen. Het onlangs ingediende rapport, Welke toekomst voor de NAVO?, concludeerde terecht dat de NAVO in Europa thans de enige veiligheidsinstantie van belang is, en dat de organisatie twee wegen openstaan: ofwel ze breidt het lidmaatschap uit tot de Oosteuropese staten, ofwel ze verliest haar nut. Dit inzicht, dat in grote lijnen wordt gedeeld door de Nederlandse regering, is nog altijd sterk omstreden.

Degenen die tegen de uitbreiding van de NAVO zijn, stellen graag dat de Oosteuropese landen eerst maar eens moeten bewijzen dat ze 'duurzame democratieën' zijn voordat ze mogen toetreden. Nog los van het feit dat zowel duurzaamheid als democratie intrinsiek vage concepties zijn, rijst de vraag of de Oosteuropeanen dan aan dezelfde democratische standaarden zouden moeten voldoen als het Spanje van Franco of het Portugal van Salazar toen die destijds in het Bondgenootschap werden verwelkomd. Bescherming van de democratie geldt vanouds als het specialisme bij uitstek van de NAVO, en is beter te garanderen in landen binnen de organisatie dan daarbuiten. Wie poneert dat de Oosteuropeanen alle doelstellingen van de NAVO moeten realiseren vóór in plaats van na hun toetreding, gaat voorbij aan het primaire doel van het Bondgenootschap.

Tegenstanders van uitbreiding beweren tevens dat wellicht Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije nog aanvaardbaar zijn als lidstaten, maar dat het 'onmogelijk' zou zijn die landen voor te trekken ten nadele van de rest. Ook dit is onjuist. Alle clubs bestaan bij de gratie van selectief lidmaatschap. het probleem van de NAVO is niet het selecteren zelf, maar de vraag wat de selectiecriteria moeten zijn. Aansluiting van Rusland in de NAVO is zinloos: een land met belangen van Noorwegen tot Japan is gewoon te groot om een samenhangen beleid te voeren binnen één bondgenootschap. Uitbreiding met Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije en mogelijk ook Roemenië en Bulgarije is zowel haalbaar als wenselijk. Het argument dat het begrip Europa niet is gedefinieerd, is het laatste offensief van dezelfde schavuiten die de euvele moed hadden hun Gemeenschap 'Europees' te noemen, ondanks het feit dat die slechts twaalf staten in de westelijke uithoek van het werelddeel omvat en maar weinig animo toont nieuwe leden te verwelkomen.

Toch houden de NAVO-functionarissen die enerzijds aanvaarden dat de grenzen van het werelddeel opnieuw moeten worden getrokken, anderzijds staande dat juist daarom uitbreiding van hun bondgenootschap niet in overweging kan komen. De uitbreiding oostwaarts zou op heftig verzet van Russische dogmatici stuiten, zo redeneren zij, en daarmee president Jeltsins streven naar 'democratie' in eigen land bemoeilijken. Onzin van a tot z.

Rusland is de enige gewezen communistische staat die nog over ruime zelfverdedigingsmiddelen beschikt. Toch wil het Westen Rusland nu juist op veiligheidsgebied ter wille zijn. De bewering dat de NAVO is op te vatten als bedreigend voor Ruslands belangen is klinkklare nonsens. Afgezien van een strookje langs de Oostzee heeft Rusland niet eens een grens met enig Middeneuropees land. Tegemoetkoming aan Moskous huidige aanspraken komt dus neer op dubbele inschikkelijkheid: de erkenning dat Rusland essentiële zeggenschap behoudt in voormalige Sovjet-republieken grenzend aan Oost-Europa, en daarnaast een duurzaam belang in Midden-Europa. In werkelijkheid pleit Jeltsin voor hernieuwing van de in Jalta overeengekomen tweedeling van Europa, en niet voor een nieuwe samenwerking op veiligheidsgebied. Verwerping van zijn aanspraken is in ieders belang, ook dat van het Kremlin. En dat hoeft niet ten koste te gaan van Ruslands veiligheidsbelangen: uitbreiding van de NAVO én bredere samenwerking met Rusland kunnen samengaan.

Op haar jongste topconferentie heeft de NAVO besloten moeilijke keuzes uit de weg te gaan door aanvaarding van een Amerikaans plan dat niet zou discrimineren tussen kandidaat-lidstaten. Het plan, met de titel 'Partnership for Peace', behelst de uitwerking van nieuwe samenwerkingsverbanden met alle voormalige communistische landen, maar roept meer vragen op dan het voorgeeft te beantwoorden. De behoeften op veiligheidsgebied van een land als Tadzjikistan verschillen uiteraard van die van Polen. Zouden met beide landen gelijksoortige samenwerkingsakkoorden worden gesloten, dan zou de 'Partnership for Peace' gereduceerd zijn tot een verzameling inhoudsloze algemeenheden, net zoals de andere westerse voorstellen van de afgelopen vier jaar. De Amerikanen zijn zelf dan ook verdeeld over het plan: het lijkt wel alsof Washington met de indiening ervan eerder beoogde een inhoudelijke discussie over de veiligheid van Europa te voorkomen dan die af te ronden.

En daar maken de westerse regeringen hun ernstigste fout: het debat over de Europese veiligheidsstructuren wordt nog altijd gezien als een zuiver bureaucratische aangelegenheid. Het Westen probeert de Oosteuropeanen, die vragen dat men hun veiligheid garandeert zonder Moskou tegen de haren in te strijken, de mond te snoeren door zich te verdiepen in theologische discussies over de vraag welke instellingen het meest geschikt zijn voor de 'opbouw' van Europa. En met deze bureaucratische aanpak raakt men van de regen in de drup: ofwel de Oosteuropeanen worden geacht 'nog niet toe' te zijn aan het lidmaatschap van NAVO of EG, ofwel de totstandbrenging van tandeloze nieuwe instanties wordt een doel op zichzelf. En op de achtergrond van het hele westerse debat speelt de verdenking mee dat het lidmaatschap van de Oosteuropese landen geen enkel strategisch voordeel zal opleveren.

Niets is minder waar. Oostwaartse uitbreiding van de NAVO is een zaak van de uiterste urgentie wil het Bondgenootschap niet uiteenvallen, en wel om een heel simpele reden. De Britten en de Fransen kunnen zich de jarenlange debatten over de relatieve verdiensten van verschillende samenwerkingsverbanden wellicht nog veroorloven, maar Duitsland kan het 'wilde oosten' aan zijn grenzen niet gedogen. Ofwel de NAVO pakt de problemen van de Oosteuropeanen eendrachtig aan, of Duitsland komt op een dag tot de slotsom dat de NAVO zijn belangen niet meer dient, en het hele Bondgenootschap valt als los zand uiteen. En als dat gebeurt, betekent dat tevens het einde van het hele netwerk van veiligheidsstructuren rondom de Atlantische Oceaan.

De catastrofe in Joegoslavië duidt erop dat Europa wordt verlamd door zijn eigen inwendige organen. Iedereen was er als de kippen bij om het conflict in Joegoslavië op te lossen. De Europese Gemeenschap zond spoorslags experts op het gebied van landbouwsubsidies uit om over wapenstilstanden te onderhandelen, terwijl de Conferentie inzake Veiligheid en Samenwerking nieuwe resoluties aannam. Joegoslavië kreeg niet minder dan vier vredesoperaties, maar nergens viel vrede te bewaren. Door twee organisaties werden marinepatrouilles geleverd, beide zonder de bevoegdheid Servische schepen in volle zee aan te houden.

De praktische problemen die op uitbreiding van de NAVO volgen, zullen aanzienlijk zijn, en ook de complicaties waarmee elke Europese regering zich thans geconfronteerd ziet, zijn niet te onderschatten. Toch zou de Nederlandse regering een voorbeeld kunnen geven door de discussie in haar geheel bij het volk te leggen en haar niet, zoals andere Westeuropese landen hebben gedaan, te beperken tot een kleine politieke elite, die onbegrijpelijke taal spreekt vol nog obscuurder acroniemen. Want de kwestie waarom het gaat is simpel. De Oosteuropeanen zijn bereid de narigheid van een economische en politieke overgangsperiode te doorstaan, maar er moet hun dan wel een reële hoop op een betere toekomst worden geboden. Zij kunnen hun taak niet volbrengen zonder directe betrokkenheid van het Westen. Uit de historische ondervinding valt af te leiden dat Oost-Europa, als het in een schimmenrijk blijft rondwaren, zal verworden tot een bufferzone tussen een chaotisch Rusland en een betrekkelijk stabiel Westen, een woekergezwel dat de veiligheid van het hele continent aantast. De Oosteuropeanen de helpende hand toesteken is dus niet langer een kwestie van liefdadigheid. Het is een zaak van leven of dood voor ons allen: ofwel de huidige veiligheidsinstanties gaan veranderen, of ze verdwijnen op den duur geheel. De Nederlanders, die dit beter hebben begrepen dan veel anderen, moeten ferm blijven aandringen op verandering.

    • Jonathan Eyal