Ooftu-san ondanks eliminatie nog altijd een held in Japan

TOKIO, 20 NOV. “Nee jochie, naar binnen toe, de andere kant op, goed zo.” Op deze bijna zomerse avond in het uitverkochte Nationale Stadion in Tokio geeft Hans Ooft, ex-trainer van het Japanse voetbalelftal, professioneel commentaar tussen 56.000 Japanners en 1 Nederlander.

Een week geleden nam Ooft zijn ontslag. Japan werd op dramatische wijze uitgeschakeld voor het wereldkampioenschap voetbal. In Qatar miste het door een gelijkspel tegen Irak op het nippertje Amerika. Japan moest winnen, stond met 2-1 voor, maar gaf pal voor tijd de overwinning uit handen. In de laatste vijf seconden van de blessuretijd, volgens Ooft.

De verbijstering, de ontgoocheling, het verdriet in Japan waren enorm, maar zijn reputatie is er niet door geschonden. Wanneer hij deze avond beneden aan de tribunes even een kijkje neemt, wordt hij massaal herkend. Televisiecamera's en fotografen schieten op hem af. “Ooftu-san, Ooftu-san”, scandeert het publiek. Nog steeds is hij een nationale held.

De stemming in het olympische stadion is zinderend, als bij een belangrijke Europcup-wedstrijd, maar dan zonder manshoge hekken, fluitconcerten en hooligans. Achter de doelen de supporters, netjes van elkaar gescheiden door het veld, getooid in de kleuren van hun club, groen/geel, rood/wit, zwaaiend met vlaggen, liederen yellend. Daartussen tienduizenden andere voetballiefhebbers, hele gezinnen en vele, vele jonge meiden. Jong en fris, zegt Ooft.

“Over en sluiten” was zijn kernachtige conclusie na de deceptie van Qatar. Terugblikkend, in kantine Olympia, boven een bord rijst: “We zaten tegen Irak niet in de wedstrijd”. Velen in Japan zeiden: 'dat doen we wel even'. Maar het begon met een gelijkspel tegen Saoedië-Arabië en toen een nederlaag tegen Iran. Ooft: “Ik heb daarop tegen de spelers gezegd, onze enige kans is drie keer winnen.” Er viel een last van hun schouders af van wel 40 kilo, schat hij. Twee overwinningen volgden, tegen Noord-Korea en aartsvijand Zuid-Korea. En toen kwam Irak, volgens hem de sterkste tegenstander, maar niemand die het wilde geloven.

Meteen zag hij dat het niet goed zat, ondanks de vlugge openingsscore. Geluk, volgens Ooft. De spelers waren nerveus, soms bijna totaal afwezig, apatisch, slaagden er niet in de bal vast te houden nadat ze op winst stonden. Ooft: “Ik riep: hou die bal vast, speel de bal uit, dat scheelt weer 20 seconden”. Maar Japan verloor de controle op de wedstrijd. “Kijk, als je tegenstander niet speelt, moet jij ook niet spelen”, legt hij uit.

Is na de nederlaag druk op hem uitgeoefend? “Op z'n Japans je verantwoordelijkheid nemen?”, grinnikt Ooft. Nee, dat is geen ogenblik gebeurd. Nu het doel van de WK hem uit handen was geslagen, wilde hij iets anders doen. “Alles was op het WK gefocused, van materiaalman tot de dokter toe”. Intussen heeft hij aanbiedingen van vier Japanse clubs. Hij zou als bondstrainer anders hebben moeten wachten tot oktober volgend jaar, wanneer de Asian Games beginnen. Ooft: “Het enige wat men mij kwalijk nam is dat ik mijn ontslag nam.”

In de rust schiet Saburu Kawabuchi hem aan in de ontvangstzaal van het stadion, waar lange tafels staan met Japanse lekkernijen. Trots meldt de bondsvoorzitter dat de een jaar jonge J-league een omzet heeft behaald van 90 miljard yen (1,5 miljard gulden). “Het is hier fantastisch georganiseerd”, zegt Ooft, “het bondsbestuur heeft de hele marketing in handen, alles gebeurt centraal en 90 procent van de omzet wordt vervolgens verdeeld over de clubs.”

Terug op de tribune hervat hij zijn commentaar. De wedstrijd gaat tussen JEF United en Red Diamonds, de twee laatst geplaatsten in de competitie, maar dat is aan het massale, dolenthousiaste publiek noch aan de spelers te merken, die voetballen in een tempo alsof het leven ervan afhangt - aanval op aanval op aanval, elkaar geen ogenblik rust gunnend om op verhaal te komen. “Ze moeten op het veld meer nadenken”, zegt Ooft streng. Even later, over een Japanse speler, die de bal te lang vasthoudt: “Hij blijft maar ouwehoeren, hij snapt het gewoon niet.”

Ooft wil niet weg uit Japan. Hij heeft het er dik naar zijn zin, zij het dat al die aandacht voor zijn persoon hem gestolen kan worden. “Je wordt er tureluurs van”, zegt hij. In de trein op weg naar het stadion hield hij een zonnebril op, met zijn hoofd weggedoken en verdiept in een krantje. “Misschien herkent een enkeling je, maar ze durven je dan in elk geval niet lastig te vallen.” Kids op de tribunes, die op verhogingen klauteren om een foto van hem te nemen, knikken vervolgens beleefd.

Dat na de nederlaag voor het WK de populariteit van het voetbal in Japan nog is toegenomen, verbaast hem niets. Hij schrijft het vooral toe aan de media (in Qatar alleen al waren 300 Japanse journalisten). Dat neemt niet weg dat in Japan nog veel moet gebeuren. Vooral aan de trainers. Ooft: “Er zijn er wel heel veel van, maar veel stelt het niet voor.”

Ook het voetbal op de scholen, tenslotte dé kweekplaats voor talent, vindt in zijn ogen geen genade. Hij vraagt zich af wat met al dat gedril van zes- tot veertienjarigen wordt beoogd. Ooft: “Laat ze dan maar gewoon straatvoetballen, laat ze vrij.”

Op het veld is intussen de wedstrijd verlengd, na een 2-2 gelijkspel. Nu is de 'sudden death' regel van toepassing. Wie nu het eerste doelpunt scoort heeft gewonnen, een regel die Japan van de Fifa bij wijze van experiment mag toepassen. Volgens Ooft past dat bij de Japanse cultuur, het is winnen of verliezen, gelijkspel is voor Japanners maar niks. In de tweede minuut van de tweede verlening scoort Red Diamonds, in een chaotische kluwen van spelers voor het doel van Jef United. Niet te zien is hoe er wordt gescoord. Geeft niet. Op het reuzenscherm in het stadion volgt even later de elektronische herhaling.