Nederland: Vut heeft geld en aandacht opgeëist

ROTTERDAM, 20 NOV. “In het jaar 2000 werken we drieeneenhalve dag in de week”, voorspelde de econoom prof.dr. A. Heertje vijftien jaar geleden. Anno 1993 noemt hij die prognose “helemaal niet zo'n rare schatting”. Hij verwacht de komende jaren “een sterke, bijzonder dynamische economische ontwikkeling” waarvan de uitkomst heel goed een gemiddelde werkweek van om en nabij de 28 uur kan zijn. Met de nadruk op gemiddeld, want er zijn allerlei posities waarin dat niet zal kunnen. “Maar de massa zal onder invloed van de technologische ontwikkeling en mede daardoor de verbetering van de efficiency en de produktiviteit en ook de opkomst van het thuiswerk omstreeks de eeuwwisseling zo'n dag of drie, vier per week werken.”

De Amsterdamse econoom beklemtoont dat zijn voorspelling niet betekent dat arbeidstijdverkorting (ATV) een geschikt instrument is om de werkloosheid te bestrijden. “Absoluut niet. Dat werkt averechts, want wie bedrijven verplicht hun werknemers korter te laten werken, jaagt ze op hoge kosten.” Kortom: in de toekomst zal er in de visie van Heertje zeker korter worden gewerkt en zeer waarschijnlijk ook wel door méér mensen, maar een samenleving kan dat niet afdwingen.

Toch duikt arbeidstijdverkorting, met name in de hoek van de vakbeweging, om de haverklap op als remedie tegen massale werkloosheid. Dat was in de jaren dertig al zo. SDAP en NVV spraken zich toen in hun 'Plan van de Arbeid' uit voor de invoering van een 40-urige werkweek. Voor de oorlog lukte dat echter alleen in de Amsterdamse diamantindustrie, de rest van Nederland moest wachten tot de jaren zestig.

Het was voorzitter Arie Groenevelt van de Industriebond NVV die in 1978 een nieuw ATV-offensief wilde inluiden met een pleidooi voor de vrije vrijdagmiddag. Maar hij vond nauwelijks gehoor. De bonden gaven in de jaren tachtig voorrang aan een geheel andere vorm van arbeidstijdverkorting, namelijk vervroegd uittreden. Nu de financiering daarvan in tal van sectoren op grote financiële problemen stuit, zal deze variant de komende jaren veel aandacht en geld opeisen die logischerwijs de 'onderhandelingsruimte' voor de vierdaagse werkweek nog kleiner maakt.

Formeel streeft de vakbeweging nog wel naar een kortere werkweek - eerst was het doel '32 uur in 1990'; nu is het, na diverse bijstellingen, '32 uur op middellange termijn' - maar in de meeste CAO's werd veel minder terreinwinst geboekt dan wervende campagnes ('vier dagen werken, drie dagen vrij') beloofden. Vorig jaar bedroeg de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van werknemers die onder een CAO vallen 37,9 uur. Gaat het in dit tempo door dan krijgt Groenvelt omstreeks 2006 zijn zin.

In het streven naar korter werken staat de vakbeweging in Nederland betrekkelijk alleen. Werkgevers zijn al jaren verklaard tegenstander van iedere uitbreiding van collectieve arbeidstijdverkorting. Wel willen zij meer armslag voor bedrijfstijdverlenging. Nu zijn daar dikwijls formele (Arbeidswet) en materiële (toeslagen) barrières tegen opgeworpen, maar het kabinet wil de regels versoepelen en bij de vakbonden groeit de bereidheid de bestaande regelingen voor vergoeding van overwerk of van het werken op zaterdagen eens tegen het licht te houden.

En ook van het kabinet hoeft de vakbeweging niet op steun voor vergaande arbeidstijdverkorting te rekenen. Dat werd vorig jaar nog eens onderstreept toen de Loontechnische Dienst de resultaten bekendmaakte van een beperkt onderzoek onder 28 bedrijven die ervaringen hebben opgedaan met een vierdaagse werkweek. De reden van de invoering bleek meestal te liggen in de combinatie van arbeidstijdverkorting, bedrijfstijdverlenging en betere benutting van de machines. In de helft van de bedrijven overtrof de opbrengst van de vierdaagse werkweek de kosten en bij twee derde van de bedrijven was de werkgelegenheid toegenomen.

Maar, zo concludeerde het kabinet, invoering van een vierdaagse werkweek vereist maatwerk, dat alleen de werkgever in overleg met de werknemers, kan leveren. De overheid ziet dan ook geen actieve rol bij bevorderen van een vierdaagse werkweek voor zich weggelegd. Voor de bestrijding van de groeiende werkloosheid, volgend jaar - volgens het Centraal Planbureau oplopend tot 715.000 mensen met een werkloosheidsuitkering, een na-oorlogs record - vestigt zij haar hoop op versterking van de economische structuur, stringente loonkostenmatiging en vermindering van de regels rondom arbeidstijden, ontslag en CAO's.