Lourens Janszoon Coster; Opkomst en ondergang van een uitvinder

In 1856 werd op de Grote Markt te Haarlem met veel feestgedruis een standbeeld onthuld voor Lourens Janszoon Coster. Het was een manifestatie waarmee Haarlem nationaal en internationaal zijn claim op de uitvinding van de boekdrukkunst kracht bijzette. Het feest in Haarlem droeg een duidelijk nationaal karakter. Een geval van brutale misleiding en misplaatste vaderlandse trots.

De belangrijkste gedrukte bron waarop Haarlems aanspraken op de uitvinding van de boekdrukkunst teruggaan, dateert uit 1568. Hadrianus Junius schreef toen het geschiedkundige werk Batavia, dat in 1588 - dertien jaar na zijn dood - uitgegeven zou worden. Op basis van mondelinge overlevering van respectabele lieden vertelt Junius het verhaal over Costers uitvinding als volgt. Wandelend in de Haarlemmer Hout sneed Coster in stukjes beukeschors letters uit, waarmee hij enkele regels drukte voor zijn kleinkinderen. Allengs kreeg hij het idee om grotere gehelen te gaan drukken. Hij vond samen met zijn schoonzoon een geschikte drukinkt uit en ging teksten drukken bij prenten. De eenzijdig bedrukte vellen werden ruggelings tegen elkaar gelijmd en verzameld in een band. Dit werd de Spiegel der behoudenisse. Later verving Coster de houten lettervormen door lood en tin, omdat die materialen vaster en duurzamer waren.

De nieuwe kunst werd steeds populairder en Costers zaak werd uitgebreid. Onder het nieuwe personeel bevond zich een zekere Johannes die het hele proces van lettergieten en zetten in zich opnam. In een kerstnacht, terwijl iedereen zijn christenplicht vervulde, verschafte hij zich - samen met een trawant - toegang tot het magazijn, nam alles wat op de boekdrukkunst betrekking had mee en begaf zich over Amsterdam en Keulen naar Mainz. Daar publiceerde hij binnen een jaar, in 1442, een boek, het Doctrinale van Alexander Gallus, gedrukt met de letters van Coster.

Het verhaal van Junius werd door anderen gevarieerd en opgesierd, maar de hoofdingrediënten bleven onveranderd. Junius' verhaal leverde discussiestof op voor enkele eeuwen.

De eerste twee eeuwen na Hadrianus Junius werd Coster van tijd tot tijd gevierd in geschriften en met gedenktekenen. Men bracht zijn beeltenis aan in de gevel van zijn woonhuis. In 1722 werd een beeld van hem geplaatst in de Hortus medicus in Haarlem. Dit beeld werd in 1801 verplaatst naar de Grote Markt. Maar pas in de negentiende eeuw begon zich een ware cultus rond de persoon van Coster te vormen. Vaderlandse mannen als Jacob Koning, J. Scheltema, A.D. Schinkel, Abraham de Vries en J.J.F. Noordziek maakten van de Costerkunde ongeveer hun levenswerk. Niets lieten zij onbeproefd om te bewijzen dat Coster de uitvinder was van de boekdrukkunst. Onder hun aanvoering en aanvuring richtte het dankbare Nederlandse volk een tweetal gedenktekens op voor deze grote zoon. Naarmate het belang van het gedrukte woord toenam, groeide Costers grootheid.

In 1808 schreef de Koninklijke Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem een prijsvraag uit: 'Kan het aan Haarlem met eenigen grond betwist worden, dat de kunst, om met enkele verplaatsbare letters te drukken, aldaar voor 1440 door Laurens Koster is uitgedacht, - en is niet deze kunst van daar naar Mayntz overgebragt en aldaar verbeterd door letters, van tin gegoten, voor de houten letters in plaats te stellen?''

De inzending van de jurist Jacobus Koning werd in 1816 bekroond en uitgegeven in het Nederlands en in het Frans. In binnen- en buitenland maakte deze publikatie discussie los. Ze werd ook aanleiding voor nader onderzoek naar het precieze jaar waarin de uitvinding plaats gevonden had. Koning kwam tot de conclusie dat dit rond 1420 geweest moest zijn. Als dit waar was, dan was het een vaderlandse plicht om het vierde eeuwfeest van de ontdekking te vieren. In december 1821 stelde de gemeenteraad van Haarlem een commissie in, die moest onderzoeken wanneer en hoe het feest gevierd moest worden. In de loop van 1822 werden de bevindingen van deze commissie met groeiend ongeduld ingewacht, temeer omdat Koning inmiddels voor 1422 opteerde. Een belangrijk nieuw gegeven voor de commissie was, dat in 1426 de hele Hout gekapt was. Dit betekende dat Coster vóór dat jaar zijn letters aan de beukenbast ontworsteld moest hebben. Uiteindelijk besloot de commissie dat het ontwikkelingsproces van Costers kunst zich voorgedaan moest hebben in de periode 1420-1425. Omdat niet was uit te maken wanneer precies de uitvinding plaats had, koos men voor 1423, het middelste jaar van dat vijfjarig tijdvak. Zo hield iedereen voldoende tijd over om het vierde eeuwfeest voor de zomer van 1823 voor te bereiden.

Het feest van 10 en 11 juli 1823 werd vastgelegd in een 462 bladzijden tellend boekwerk van Vincent Loosjes. In de inleiding van zijn werk houdt Loosjes zich ook bezig met de vraag waarom Coster pas op dat moment zo grootscheeps gevierd werd door zijn landgenoten. Het antwoord zocht hij in de typisch Nederlandse afkeer van pralerij.

Een van de hoogtepunten was een plechtige bijeenkomst met enkele duizenden toeschouwers in de Bavo. De feestrede werd uitgesproken door J.H. van der Palm, een redenaar op wiens bezit het vaderland zich mocht verheffen, omdat hij, volgens zijn tijdgenoten, de grootste redenaars van de oudheid evenaarde en geen beschaafd land zijn gelijke kon aanwijzen.

Coster verdiende volgens Van der Palm de dank van de hele aarde. De uitvinding van de boekdrukkunst had de aanleg van geest en gemoed nodig die Nederland eigen is. De echt Nederlandse schranderheid, nijverheid en standvastigheid brachten, met de hulp van God, de kunst aan het licht. 'Verheugen we ons met elkander van goeder harte! Onder ons, binnen uwe muren, heeft de edelste der kunsten het licht gezien, zij, die de voedster van alle is, de bron der kennis, die sedert vier eeuwen Europa bestraalt!'' De dankbaarheid ten opzichte van Coster leidde Van der Palm in de loop van zijn betoog tot een gelukwens aan de natie waarvan hij deel uitmaakte: 'Gelukkig Nederland! aloude zetel van godsdienst en burgerdeugd, van vrijheid en volks-geluk! Gij alleen waart waardig de geboorte-grond der edele Boek-drukkunst, waardig het vaderland van Laurens Janszoon Koster te wezen!''

Hetzelfde thema werd even later door de volksdichter Hendrik Tollens behandeld in zijn bekroonde feestzang. God stuurde een engel uit om het licht aan de mensheid te brengen. Deze engel zocht uit de staten, rijken en volken het waardigste stukje grond uit, het plekje, 'gering en vergeeten,/Het laagst aan zijn voet,/Maar dat eens de parel der wereld zou heeten,/Gevischt uit den vloed''. Het lijkt wel een beetje op het bezoek van de Heilige Geest aan de maagd Maria:

'En, peinzend verloren in 't suizen der blaadren,

(Zoo meldt het de maar')

Wordt Koster den invloed der godheid in 't naadren

Des luisters ontwaar;

Hij voelt haar, ontvangt haar; zij stroomt hem in de aadren;

De drukkunst is daar!'

Het tweede hoogtepunt was een optocht naar de Hout, alwaar de onthulling plaats had van het grote gedenkteken, gehouwen uit Bentheimersteen, dat in het Nederlands en in het Latijn de roem van Coster verkondigt. Het betrekkelijk eenvoudige monument - in de wandeling aangeduid als 'de dobbelsteen' - bevat enkele symbolische versierselen: 'op de vóórzijde een gevleugelde A, zinspelende op de uitvinding der drukkunst met beweegbare letteren; aan de regterzijde een beukentak, als het voorwerp, waaruit de eerste letter gesneden werd; aan de linkerzijde eene lamp, doelende op de verlichting; en op de achterzijde een cirkelslang, beteekenende de eeuwige eer en roem, die deze uitvinding Haarlem en Koster doet verwerven.''

Verder hadden de feestelijkheden het gewone en voorspelbare karakter: terwijl de autoriteiten dineerden en elkaar gedenkpenningen offreerden, hield het volk zich onledig met mastklimmen en ringrijden om een zilveren zakhorloge, een koperen tabaksdoos of een zijden halsdoek. Op de avond van de eerste dag een vuurwerk en op de tweede dag een grootscheepse illuminatie, die even door de regen in het water leek te vallen. En uiteraard hadden de drukpersen gekraakt onder het produceren van talrijke gelegenheidsdichten. Zelfs Loosjes ontkwam in zijn gedenkboek niet aan de constatering dat het allemaal van hetzelfde laken een pak was. Onvermijdelijk waren het allemaal variaties op wat J.F. Helmers in 1812 al in De Hollandsche natie verwoordde:

'Door wien is 't dat de nacht der middel-eeuw verdween?

Wie schoot het eerste licht door deze chaos heen?

Het is de Drukkunst; ja! op onzen grond geboren,

Deed zij van hier haar stem het stervend menschdom hooren.

't is Koster! Neêrland is 't, die, uit den duistren nacht

Der eeuwen, weêr het licht te voorschijn heeft gebragt.'

De concurrentie zat niet stil. Onze Costerkundigen konden elkaar wel - alsof het om strijd ging - verzekeren dat het vraagstuk definitief in het voordeel van Coster beslist was, maar die van Mainz legden zich daar niet bij neer. Ze hadden zelfs de onbeschaamdheid een standbeeld op te richten voor hun Gutenberg, een drukker die weliswaar Costers kunst vervolmaakt had, maar die haar niet uitgevonden had en bovendien via de diefstal in de kerstnacht in haar bezit gekomen was. Met enig leedvermaak namen de verdedigers van Haarlem waar hoeveel moeite het kostte om het benodigde geld voor de metalen Gutenberg bij elkaar te brengen. Maar in 1840 kon hij toch onthuld worden.

In 1846 correspondeerde J.J.F. Noordziek, op dat moment onderbibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek, over de mogelijkheid Mainz van repliek te dienen. In juli 1847 publiceerde hij de brochure Oproeping aan Nederland om de eer des vaderlands te handhaven. Nu men in Engeland zelfs een beeld ging oprichten voor William Caxton, die slechts de boekdrukkunst verspreidde in zijn land, werd het hoog tijd dat Nederland een mooi groot metalen beeld voor Coster ging oprichten. Dat oude stenen beeldje op de Grote Markt was volstrekt onvoldoende. Het stond daar met geschonden neus en ten prooi aan de bekladding door de Haarlems straatjeugd een aanfluiting te wezen voor vaderlander en vreemdeling.

In één opzicht won Noordzieks plan het meteen al van Mainz: waar de Duitsers hun toevlucht namen tot de Deense beeldhouwer Thorwaldsen, zou het beeld van Coster door een Nederlandse kunstenaar vervaardigd worden. Maar in een ander opzicht herhaalde de Duitse geschiedenis zich. Nationale gevoelens bekoelen aanmerkelijk zodra ze geld kosten aan degene die ze koestert. Noordziek dacht aanvankelijk het beeld te kunnen oprichten in 1848 - het 425-jarig jubileum van Costers vinding -, maar dat werd 1856. Nog in 1855 moesten de laatste gelden bijeengeschraapt worden.

Aan enthousiaste reacties was er overigens geen gebrek. Overal in het land constitueerden zich plaatselijke commissies voor de inzameling van geld. Er verschenen brochures waarvan de opbrengst voor het goede doel bestemd was. En ook de loterijen ontbraken niet. De pers begeleidde een en ander met de meest positieve berichten. Zo wijdde het Algemeen Handelsblad van 26 augustus 1847 een groot stuk aan Noordzieks oproep, waarin de erkenning van Coster als uitvinder een zaak van nationale eer genoemd wordt. 'Mannen te hebben voortgebragt, die iets van groot en uitgebreid nut niet alleen voor eigen landgenooten, maar ook voor het menschdom in het algemeen tot stand bragten, is voor den roem van een land veel hooger te achten dan krijgsroem en overwinningen'', schreef het Handelsblad. Geheel in deze nationale geest is de verklaring dat men het beeld niet zozeer wil zien verrijzen om de Haarlemse landgenoot Coster te vereren, maar 'als een blijk van dankbare erkentenis voor de weldaad der drukkunst, zigtbaar voorgesteld in de beeldtenis van hem, die in de hand Gods het werktuig was, om met die weldaad het menschdom te begiftigen en die ons, toen nog zoo weinig geacht en nederig volk uitkoos, om dat gezegend middel tot verlichting en beschaving over de aarde te verspreiden.''

Toen op 16 juli 1856 het door Louis Royer vervaardigde beeld op de Haarlemse Grote Markt onthuld werd, was er dan ook sprake van een echt nationele feestdag. Iedereen die iets met drukwerk te maken had toog naar Haarlem. Journalisten hadden een vrije dag. Drukkersgezellen uit alle windstreken namen deel aan een optocht die geteisterd werd door geweldige hoosbuien. Door de stad trok men naar het Paviljoen, waar een tijdelijk momument was opgericht als huldeblijk voor de inrichters van het feest. 'Uit Haarlems bloemhof ging het licht op over de aarde'', luidde het opschrift. Vervolgens trok men naar de dobbelsteen in de Hout, om daarna naar de Grote Markt te koersen. In tegenwoordigheid van prins Hendrik werd het standbeeld onthuld. De voorzitter van het hoofdbestuur beschreef in zijn toespraak bij de onthulling het geschenk van de natie aan Haarlem als volgt:

'Gij ziet den Uitvinder der Boekdrukkunst voor U als in eene voorwaartsche beweging, om aan alle oorden der wereld verlichting en beschaving over te brengen. Met de opgeheven regterhand toont hij U de losse letter - het geheim zijner vinding; de gansche houding en het gelaat geven U den denker te kennen: de beukenstam achter hem herinnert U aan het snijden der letter, waarvan Junius gewaagt, en het opperkleed wordt in de hoogte gehouden, opdat niets zijn' gang moge belemmeren.''

De onthulling was het middenstuk en hoogtepunt van een driedaags feest, dat door initiatiefnemmer Noordziek in een gedenkboek werd vastgelegd. Een feërieke gondeltocht op het Spaarne, een typografische tentoonstelling, een bloemententoonstelling, volksfeesten, een kinderfeest, diners, concerten, vuurwerk, het organiserend comité had alles uit de kast gehaald. Tienduizenden hadden zich naar Haarlem begeven; de voedselvoorziening van de typografen stagneerde; de tribunes voor het vuurwerk stortten in; er was gebrek aan slaapplaatsen; vroeg in de avond was er nergens meer iets eetbaars te krijgen; alleen de drank raakte niet op. Tot diep in de nacht moesten de spoorwegen met extra-treinen de feestgangers afvoeren. Er was veel kritiek op de gebrekkige organisatie, maar over Coster viel geen onvertogen woord. Als één man eerde de natie haar grote zoon. Coster stond als nationale held op het hoogtepunt van zijn roem.

Zelden zal een nationale held sneller en dieper gevallen zijn dan het geval zou zijn met Coster.

Het weekblad De Nederlandsche Spectator, het orgaan van een liberaal en progressief clubje schrijvers en wetenschappers, kan er zich op beroemen twee onaantastbaar lijkende reputaties gebroken te hebben. In 1860 publiceerde Cd. Busken Huet in dit blad een afrekening met Bilderdijk, die deze dichter nooit meer echt te boven is gekomen. In 1869 en 1870 publiceerde de historicus en polemist A. van der Linde in De Nederlandsche Spectator de artikelenreeks 'De uitvinding van de boekdrukkunst' die hij later zou bundelen onder de titel De Haarlemsche Costerlegende wetenschappelijk onderzocht (1870; in datzelfde jaar vertaald in het Frans en het Engels). Van der Linde, die uit eigen zak de kosten betaalde voor de extra-bladzijden van de Spectator die zijn onderzoekingen noodzakelijk maakten, betoogde in lange en gedetailleerde opstellen dat het verhaal over de uitvinding van de boekdrukkunst in Haarlem niets anders was dan een fabel, 'op niets steunende dan een kunstmatig en bedrieglijk gekweekten volkswaan''. Haarlem behoorde niet tot de steden waar het vroegst boeken gedrukt werden. Junius' verhaal is een sprookje: niemand in Nederland bestreed in de ruime eeuw vóór Junius de aanspraken van Mainz; het drukken met houten letters, zoals Junius dat beschrijft, is volstrekt onmogelijk; er is geen schijn van bewijs voor een diefstal door Gutenberg of zijn handlangers. De Costerstudie bracht aan Nederlandse kant een stortvloed van bedriegerijen in de wereld. De vaststelling van het jaar 1423 karakteriseert hij als een 'uitdragersakkoordje'. Van der Linde rekent de lezer voor, dat er op een ongelooflijke manier gehaspeld is met de jaartallen. En passant is de biografie van twee verschillende personen door elkaar gehaald, die van een kaarsenmaker en die van een schepen die tevens herbergier was. De Costerianen vormden volgens Van der Linde een sekte die erin geslaagd is haar dwaling nationaal te maken en haar held heilig te verklaren. De orgie van verwarring die door deze sekte gesticht is, wordt door Van der Linde samengevat in het volgende 'wangedrocht': een 'schepen-herbergier-kaarsenmaker-onderkoster-koster-graveur-winkelier-xy lograaf-typograaf-manuscriptenzwendelaar-grootvader in 1420 - dood in 1439 - levend in 1447 - vertrokken uit Haarlem in 1483''.

In plaats van ons land tot eer te strekken hebben de Costerianen met hun brutale misleiding van het publiek en met de oprichting van het standbeeld ons ten prooi gegeven aan de bespotting van het buitenland. Er kan geen sprake meer zijn van een Costerkwestie, maar alleen van een Costerschandaal, dat pas ophoudt te bestaan als de Haarlemse monumenten opgeruimd zijn. In een slottirade die qua stijl en felheid aan zijn vriend Multatuli herinnert, bespreekt Van der Linde de relatie tussen de natie en Coster:

'Inderdaad de Costerzaak is 'nacionaal'. En dat zij dit is, is een treurig teeken.

Nacionaal. Een dier ellendige woorden om den volksgeest te bederven! Anthropofagie, lepra, onreinheid, luiheid, steelzucht, dat alles kan 'nacionaal' zijn, indien men slechts weet van welke 'nacie', of er over Battaks, IJslanders, Arabieren, Lazzaroni of Kaffers gesproken wordt. Nacionaal op zich-zelf zegt niets; de vraag is, of men nacionale gebreken of deugden bedoelt. Onze 'bezadigdheid' (eufemie voor lamlendigheid en geesteloosheid) is zeer nacionaal, maar er niet minder afschuwelijk om. En onze nacionale jenever is een nacionale pest. Daarentegen voor onze nacionale volharding (al treuzelt zij te veel), vrijheidszucht (al is zij wat kruideniersachtig), zindelijkheid (al is zij wat eenzijdig), taal (al is zij te schraal voor den zang), voor onze nacionale groenten en koeien - alle eerbied! Maar niet bijvoorbeeld...

Niet bijvoorbeeld voor onzen nacionalen Coster, voor 'onzen' Coster. Hij drukt onze belachelijke zelfaanbidding uit en hem te sloopen is een nacionaal belang.''

Natuurlijk gaven de Costerianen zich niet meteen gewonnen. Men wrong zich in bochten om Coster te redden. De katholieke uitgever en letterkundige J.A. Alberdingk Thijm bijvoorbeeld stelde voor om het beeld te beschouwen als een eerbewijs aan 'het aandeel, dat wij in de uitvinding of toepassing'' van de boekdrukkunst gehad hebben. Anderen probeerden Costers zaak te dienen door de wetenschappelijke moraliteit van Van der Linde verdacht te maken. En overigens heeft de ontrafelaar van de Costermythe zelf voedsel gegeven aan de mythe dat de boze Costerianen de 'Costermoordenaar' gedwongen zouden hebben het land te verlaten. In werkelijkheid werd Van der Linde om particuliere redenen bedreigd door zijn schoonfamilie.

Het intellectuele en spraakmakende deel van de bevolking liet zich door Van der Linde overtuigen. Tekenend is een uitspraak van de filoloog Eelco Verwijs in een brief aan de hoogleraar M. de Vries: 'Als ik eens wat krap bij kas was en Coster's beeld passeerde, heb ik wel eens gedacht: kon ik je een goede kneep geven, en er mijn ƒ 5,00 weer uitwringen.''

Coster heeft de aanslag van Van der Linde niet overleefd. Ook al werd het debat enkele malen heropend, de natie heeft hem geschrapt uit de rij van haar grote zonen. Er wordt hoogstens wat lacherig over hem gesproken. En zelfs als curiosum wordt hij nauwelijks meer gewaardeerd. Toen in juni 1993 bij het Haarlemse veilinghuis Bubb Kuyper een grote collectie Costeriana onder de hamer kwam, bleek dat er geen enkele particuliere verzamelaar van Costeriana over is. Diverse instellingen completeerden hun verzameling, terwijl ook een Haarlemse handelaar zich niet onbetuigd liet.

De monumenten voor Coster zijn op hun plek gebleven, ondanks Van der Linde's bezwering dat we ons daarmee medeplichtig maakten aan de domkoppen en bedriegers die ze in het leven riepen. Maar ze beantwoorden al lang niet meer aan hun oorspronkelijke bedoeling: het opwekken van de nationale volksgeest. Inmiddels zijn het herinneringstekens geworden voor de eeuw waarin ze werden opgericht. Ze herinneren aan het negentiende-eeuwse nationalisme dat de Costerlegende opkweekte, en ze herinneren ook aan de historische kritiek die in diezelfde negentiende eeuw zovele - al dan niet religieuze - mythes aan flarden scheurde.

    • Nop Maas
    • Intellectuele Geschiedenis