LEE HARVEY OSWALD: DADER OF SLACHTOFFER

Dat Lee Harvey Oswald iets met de moord op president Kennedy te maken heeft staat vast. Als hij de moord niet heeft gepleegd, is Lee Harvey Oswald (1939-1963) de best beschreven onbelangrijke Amerikaan aller tijden. Honderden boeken zijn grotendeels aan hem gewijd, zelfs zijn kleuterjaren zijn minutieus beschreven. Volgens eigen opgaaf was hij alleen maar een 'patsy', een zondebok. Maar een recente ontdekking op een begraafplaats in Arizona ondersteunt de veronderstelling dat Oswald in 1963 door de CIA gebruikt werd. Valt dat te rijmen met de getuigenis van de zusters Odio? Nieuwe en oude aanwijzingen voor verdachte connecties van een vermeende moordenaar, dertig jaar na dato.

'Een van de meest verbijsterende figuren uit de geschiedenis' noemt James Duffy hem in Conspiracy - Who killed JFK? (Shapolsky, 1989). Volgens president Johnson was hij 'quite a mysterious fellow'. En in het voorwoord bij Conspiracy - The definitive book on the JFK assassination (Mc Graw Hill 1980, Paragon 1989), schrijft de journalist Anthony Summers kortweg over een 'uitzonderlijke persoonlijke geschiedenis'. Dertig jaar na de moord op president Kennedy is de ware levensloop van Lee Harvey Oswald nog steeds verborgen in een web van raadsels. Een groot deel van de honderden boeken die tot nu toe over de moord in Dallas zijn verschenen, gaat over hem. Zijn weduwe Marina en zijn broer Robert namen ghostwriters in de arm om hun persoonlijke herinneringen te boek te stellen; aan de andere kant van het maatschappelijk spectrum schreef een van Kennedy's opvolgers, Gerald Ford, een Oswald-biografie (Portrait of the assassin, Simon & Schuster 1965).

Vooral teksten die de 24-jarige Oswald als de enige dader van de moord aanwijzen, zijn uitvoerig over zijn jeugd, inclusief zijn kleuterjaren. In het juist verschenen Case Closed - Lee Harvey Oswald and the Assassination of JFK (Random House 1993) laat voormalig Wall Street lawyer Gerald Posner ons weten dat Lee rond zijn tiende 'niet naar buiten ging om te spelen. Hij zat liever binnen te lezen of zo''. Vijf jaar later was hij 'arrogant, veeleisend en luidruchtig. Niemand mocht hem. Hij maakte geen contacten''. Tweehonderd pagina's met soortgelijke informatie verder moeten lezer en dader klaar zijn voor het onvermijdelijke: de donderdag voordat president Kennedy langs zijn werkadres zal komen, misschien wel in een open auto, gaat Oswald naar zijn vrouw en kinderen, in een voorstad van Dallas, en niet naar zijn eigen kamer zoals gebruikelijk door de week. De volgende ochtend laat hij zijn trouwring en bijna al zijn geld achter ($ 170,-; $ 12,- houdt hij zelf), rijdt met een collega terug naar Dallas terwijl een verdacht langwerpig pakket (Geweer? Gordijnroeden? Iets anders?) op de achterbank ligt, en een paar uur daarna bezwijkt Kennedy aan zijn verwondingen in traumaroom 1 van het Parkland Hospital. Precies 48 uur later overlijdt Oswald in traumaroom 2.

De collega in kwestie, Wesley Frazier, verklaarde onlangs nog in een televisie-interview dat Oswald het pakket na aankomst in Dallas met zijn hand aan de onderkant vasthield, terwijl de bovenzijde onder zijn oksel zat. Het moordwapen was daarvoor te lang, ook in gedemonteerde toestand, maar de Oswald-did-it boeken houden het erop dat Frazier niet goed gekeken heeft.

Oswalds asociale gedrag op school en aanwijzingen dat hij erg onaardig kon zijn tegen dieren, zijn van groot gewicht voor wie wil geloven dat hij de moord pleegde, zonder samenspraak met wie dan ook. Bij gebrek aan een beter motief worden zijn levensloop en karakter als zodanig aangemerkt. Alle getuigen bevestigen dat hij nooit iets negatiefs over president Kennedy heeft gezegd, in tegendeel. Oswald was uitgesproken verheugd over zijn verkiezing en op 2 juni 1963 had hij nog een Kennedy-biografie bij de bibliotheek geleend. Verdacht was natuurlijk wel dat hij op 21 en 22 november van dat jaar nagenoeg niet reageerde wanneer ter sprake werd gebracht dat Kennedy op enkele tientallen meters afstand van het Texas School Book Depository zou passeren.

Waar hij ook was toen de schoten vielen, vrijwel zeker niet buiten of als toeschouwer achter een raam van het TSBD. Toen een politie-agent negentig seconden later de lunchroom op de eerste verdieping van het TSBD binnenstormde - 72 traptreden en 50 meter horizontaal traject verwijderd van het raam op de vijfde verdieping waar verschillende getuigen een schutter aan het werk zagen - stond Oswald daar in alle rust een flesje cola te drinken: op dezelfde plaats waar TSBD-secretaresse Carolyn Arnold hem vijftien minuten eerder ('misschien minder') had waargenomen. Daarbij zij aangetekend dat Kennedy's stoet achter lag op schema, en dat getuige Arnold Rowland en zijn vrouw om 12.15, vijftien minuten voor de moord, twee heren achter het raam in kwestie waarnamen. Oswald was daar omstreeks 11.50 voor het laatst gesignaleerd.

Zonder verder iemand te zien, had TSBD-werknemer Bonnie Ray Williams op 15 meter afstand van het raam zijn lunch verorberd, en was 'omstreeks 12.20' naar beneden gegaan. Op de vijfde verdieping (29 bij 29 meter) waren geen binnenmuren, wel grote stapels dozen. Als Williams zich een paar minuten vergiste (het tijdstip van de waarneming van Rowland staat vast), dan hebben twee verdachten direct na zijn vertrek achter het raam plaatsgenomen. De politiecommandant van Dallas, Jesse Curry, moest jaren later erkennen: 'We hebben geen bewijs dat Oswald het geweer afvuurde. Niemand is ooit in staat geweest hem in dat gebouw te lokaliseren met een geweer in zijn hand.''

Kort na de confrontatie met de politie-agent verliet Oswald het TSBD, wees een journalist de dichtstbijzijnde telefooncel, reisde per bus, taxi en te voet naar zijn kamer, verwisselde van shirt, trok een jack aan, stak zijn revolver bij zich en werd anderhalf uur na de moord gearresteerd in een bioscoop. 'It's all over now'', zou hij bij zijn arrestatie hebben geroepen. Maar wat was it? Wat zijn dertig jaar later de belangrijkste onopgehelderde punten rond Lee Harvey Oswald?

Oswalds vader overleed twee maanden voor Lee's geboorte, en de weduwe Oswald hertrouwde twee keer. Tegen een achtergrond van geldgebrek, een reeks verhuizingen en chaotische gezinsomstandigheden, ontwikkelde Oswald rond zijn zestiende uitgesproken linkse sympathieën. 'Ik ben een Marxist en heb gedurende ruim vijftien maanden socialistische principes bestudeerd'', schreef hij op 3 oktober 1956 aan de Socialist Party of America. Niettemin werd hij drie weken later marinier, als vrijwilliger, en zonder ook maar enigszins een geheim van zijn politieke voorkeur te maken. Het belette zijn commandanten niet om Oswaldskovich, zoals hij genoemd werd, op 3 mei 1957 geschikt te verklaren voor 'vertrouwelijk' werk. Als radarspecialist werd hij geplaatst op de Atsugi Air Base bij Tokyo, waar de ultrageheime U-2 spionagevliegtuigen vertrokken voor verkenningsvluchten boven de USSR. Vast staat verder dat de Sovjet-inlichtingendienst, de KGB, in die tijd rond Atsugi op zoek was naar overlopers, en dat Oswald, zonder veel succes, druk bezig was Russisch te leren. Werd Oswald van hogerhand voorbereid op een schijn-overloop?

Na plaatsingen op de Filippijnen, Taiwan en opnieuw Atsugi, werd Oswald in november 1958 op een basis in Californië gestationeerd. Anders dan hij tegen zijn maten zei, bracht hij zijn vrije tijd niet bij zijn familie door. Waar wel? Zeker is dat hij laag scoorde bij een vrijwillig afgelegd examen Russisch, dat hij vervolgens des te harder verder studeerde, dat hij een crash-course kreeg op een militaire talenschool in Monterey, Californië, en dat hij in de loop van 1959 grote vorderingen met zijn Russisch maakte. De Warren Commission die de Kennedy-moord in 1964 grootschalig onderzocht (het eindrapport bestaat uit 26 zware boeken), kwalificeerde de Monterey-episode als top secret; pas in 1974 werd het materiaal vrijgegeven. Op 17 augustus 1959 verzocht Oswald, nog steeds openlijk Marxist, de dienst een paar maanden voor afloop van de periode waarvoor hij had getekend, te mogen verlaten. Zijn moeder zou hulpbehoevend zijn (wat later niet het geval bleek te zijn) en het verzoek werd binnen twee weken goedgekeurd. Op 4 september vroeg Oswald een paspoort aan, gaf als reisbestemmingen ondermeer Cuba en de Sovjet-Unie op, en kreeg het zes dagen later.

Na een bootreis arriveerde hij op 9 oktober via Le Havre in Southampton en liet de Britse autoriteiten weten op doorreis te zijn naar het Albert Schweitzer College in Zwitserland. In het voorjaar had hij zich daar inderdaad aangemeld om filosofie te studeren. Echter: op 10 oktober noteerde hij zijn naam in het gastenboek van een duur hotel in Helsinki en twee dagen later meldde hij zich bij het Russische Consulaat aldaar voor een toeristenvisum. Het merkwaardige reistraject wordt vaak in verband gebracht met het feit dat consul Gregory Golub, volgens de CIA een KGB-officier, bij het verstrekken van visa aan onverdachte personen was vrijgesteld van ruggespraak met Moskou. Twee dagen later kon Oswald per trein naar Moskou vertrekken.

Over de moord in Dallas heeft de CIA op dit moment nog 170.000 pagina's archiefmateriaal waarop geen onderzoeker ooit een blik heeft kunnen werpen. Vast staat verder dat de Amerikaanse buitenlandse inlichtingendienst in de afgelopen dertig jaar eindeloos geknoeid heeft met het verstrekken van gegevens over de moord, over Oswald in het bijzonder. De officiële lezing is nog steeds dat Oswald nooit in welke hoedanigheid dan ook gewerkt heeft voor de CIA. Tijdens het uitvoerige vervolg-onderzoek naar de moord door het House Select Committee on Assassinations (HSCA) in 1976-'79, getuigde oud-financieel-administrateur van de CIA James Wilcott evenwel dat hij persoonlijk vergoedingen aan Oswald had moeten overmaken. Wilcott's verklaring werd als onbetrouwbaar terzijde gelegd. Een merkwaardig punt is dat tijdens Oswalds legering op de Filippijnen een marinier, Martin Schrand, onder duistere omstandigheden werd doodgeschoten. Na de moord op Kennedy verklaarde een ex-marinier dat er indertijd geruchten gingen dat Oswald ermee te maken had. Wilcott haakte daarop in door te suggereren dat de CIA ervoor zorgde dat Oswald na de dood van Schrand niet vervolgd zou worden als hij voor de CIA werkte vervolgd worden.

Tijdens zijn 31 maanden in de Sovjet-Unie heeft Oswald zeker vijftig keer post ontvangen uit en verzonden naar Amerika. Brieven tussen beide landen werden vrij systematisch door de CIA onderschept en gekopieerd, maar de oogst inzake Oswald bleef beperkt tot één brief van zijn moeder. Het onderscheppingsprogramma (HT-Lingual) had een Oswald-registratiekaart, waarop een paar codes stonden (CI/Project/RE) die de CIA nooit tot ieders tevredenheid heeft kunnen verklaren. Verder had de CIA standaard een dossier over iedereen die voor de organisatie van belang was, als informant dan wel als verdachte, een 201-file. Een overgelopen marinier met kennis over de U-2 vliegtuigen zou hoge prioriteit moeten hebben, maar Oswalds 201-file werd pas 14 maanden na zijn overlopen aangelegd. Onder het kopje other identification staat AG. Volgens aanhangers van samenzweringstheorieën een afkorting voor agency, volgens het agency zelf een code voor overloper.

Als Oswald inderdaad met een missie naar de USSR werd gestuurd, hoeft de CIA niet zijn werkgever te zijn geweest. Een goede andere kandidaat is Naval Intelligence, ondermeer omdat marinier Oswald daar dichter bij zat. Marina Oswald-Prusakova, met wie Oswald 30 april 1961 in Minsk trouwde, maakte tijdens haar langdurige ondervragingen ooit een saillante vergissing: wijlen haar man zou zijn overgelopen terwijl hij werkzaam was op een Amerikaanse tentoonstelling in Moskou. Dat deed hij zeker niet, maar een zekere Robert Webster wel.

In de periode 1947-1959 liepen twee Amerikaanse (ex-)militairen over naar de USSR, en in de 18 maanden daarna negen. Van de elf (het officiële aantal; het zouden er meer geweest kunnen zijn) keerden er vier binnen een paar jaar terug naar Amerika. Onder hen was behalve Oswald nog een marinier, Robert Webster, die twee weken eerder dan Oswald in de USSR arriveerde. Marina's vergissing wijst met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op een of ander contact tussen Webster en Oswald. Uiteraard hebben samenzweringstheorie-aanhangers er alles aan gedaan Webster te traceren. Helaas is dat pas dit jaar gelukt, en heeft de (schijn)overloper de ziekte van Altzheimer: hij is niet meer aanspreekbaar.

Het bovenstaande zou er goed op kunnen wijzen dat Oswald deel uitmaakte van een reeks schijn-overlopingen onder regie van de marine-inlichtingendienst. Anderzijds zijn er geen serieuze aanwijzingen dat Oswald tijdens zijn verblijf in de USSR door de KGB gerecruteerd werd. Kameraad Oswald kreeg een baan in een elektronica-fabriek in Minsk, hij werd daar scherp in de gaten gehouden, en dat was het.

Als hij voor een Amerikaanse inlichtingendienst werkte, moet Oswald na terugkeer uit de Sovjet-Unie zijn uitgehoord over zijn bevindingen. De CIA heeft altijd ontkend dat zo'n gesprek heeft plaatsgevonden. Het aardige van het verhaal is dat Oswald op terugreis uit de Sovjet-Unie door Nederland kwam: op 3 juni 1962 om 08.12 uur moeten hij, Marina en hun dochter per trein in Oldenzaal zijn gearriveerd, en op 4 juni vertrokken ze om 15.00 uur uit Rotterdam met de Maasdam naar Amerika. (Zie ook de Achterpagina van 19 november 1988 en HP/De Tijd van deze week.)

Onlangs kreeg de journalist Anthony Summers schriftelijk toestemming van Marina Porter-Prusakova om bij het agentschap waar de Oswalds hun bootreis boekten, American Express, het Oswald-dossier te bekijken. Het was er niet. Of niet meer, want een paar jaar geleden kreeg een Nederlandse Oswald-vorser bij AE te horen dat er nog iets lag. 'Er moet indertijd wel iets over Oswald geweest zijn'', meent Summers. Vreemd is verder dat de passagierslijst van de Maasdam niet werd opgevraagd door de Warren Commission. Die is inmiddels boven water en Oswald staat er inderdaad op, zij het met verkeerde initialen. Wie waren er verder aan boord? Dat vergt veel onderzoek, en wie wil mag eraan beginnen. 'Je hoeft geen Einstein te zijn om Oswald in Nederland te traceren'', zegt Summers, 'maar voor zover ik weet heeft de FBI niets gedaan met de Nederlandse adressen in Oswalds adresboek. Dat ze de passagierslijst van de Maasdam niet hebben bekeken is ook uitzonderlijk; er zijn wel lijsten van alle boeren die bij Oswald in de bus zaten toen hij in september 1963 naar Mexico ging.''

Op 21 november zal de BBC in TimeWatch een documentaire van tweeënhalf uur uitzenden, waarvoor Summers adviseur en mede-onderzoeker was. Nieuwe getuigen maken daarin aannemelijk dat Oswald, in welke hoedanigheid dan ook, wel degelijk door de CIA ondervraagd is na zijn terugkeer. 'Ik denk in Amerika'', aldus Summers, 'maar wie weet wat er in Nederland aan vooraf is gegaan.'' Op zichzelf is een ondervraging niet zo merkwaardig, maar wel het feit dat de CIA het dertig jaar ontkend heeft. In ieder geval heeft de FBI Oswald twee keer ondervraagd in Amerika.

De hamvraag bij het voorgaande (en het komende) is natuurlijk wat de relevantie ervan kan zijn voor de ontsluiering van de moord op Kennedy. Summers is daar stellig over: 'Het kan zijn dat de CIA, de FBI of beide een spelletje met Oswald hebben gespeeld, waarvan hij zich misschien niet eens bewust was, en dat hij gebruikt werd om linkse groeperingen zwart te maken of erin te infiltreren. Als we vaststellen dat de CIA en de FBI informatie verborgen houden - en dat geldt zeker voor de CIA inzake Oswalds reis naar Mexico - dan gaat het mogelijk alleen om een betrokkenheid tussen hen en Oswald, die verder niets met de moord te maken heeft. Door de geheimhouding lijkt het meer sinister dan het mogelijk is geweest. Het is hoog tijd om openheid van zaken te geven.''

Op 26 oktober 1992 tekende president Bush de JFK Records Act: 99,99% van alle onontsloten documenten over de moord zou eindelijk aan de openbaarheid worden prijsgegeven. Als iemand daar het fijne van weet, is het Jim Lesar, president van het particuliere Assassinations Archives and Research Center in Washington. 'In totaal gaat het om twee- à driemiljoen pagina's, en daarvan is tot nu toe ongeveer vijftien procent vrijgegeven, in veel gevallen met uitvoerige doorhalingen'', aldus Lesar. 'De CIA en de FBI moeten volgens afspraak vaststellen welke documenten op de moord betrekking hebben, waarna een Assassination Records Reviewboard vaststelt wat om veiligheidsredenen alsnog mag worden achtergehouden.''

Met spijt laat Lesar weten dat de Reviewboard een jaar na dato nog steeds niet geïnstalleerd is (het laatste lid is pas vorige week door president Clinton genomineerd), en dat de CIA al tienduizend pagina's voor nadere inspectie terzijde heeft gelegd. Dat ergens te lezen zal zijn wie op Kennedy schoot, anders dan Oswald, verwacht Lesar zeker niet - wel veel over CIA-plannen voor politieke moorden in het buitenland, ondermeer op Castro, en over de activiteiten van Cubaanse bannelingen. 'Dat zou zeer goed direct met de moord op Kennedy te maken kunnen hebben.''

Afgelopen woensdag verscheen Lesar voor een commissie van het Huis van Afgevaardigden om te getuigen van de trage implementatie van de JFK Records Act en de tegenwerking van de FBI en de CIA. Bij dezelfde gelegenheid trad radioloog Randolph Robertson aan, die onlangs een nieuw onderzoek heeft gedaan naar foto's van Kennedy's autopsie. Volgens hem blijkt onomstotelijk dat twee kogels het hoofd van de president troffen, en dat er dus meer dan één schutter aan het werk was.

Terug naar toen. Op 3 juni 1960 zond FBI-directeur J. Edgar Hoover persoonlijk een memo aan het ministerie van buitenlandse zaken, getiteld Lee Harvey Oswald, Internal Security. Hoover had aanwijzingen dat iemand anders dan de echte Oswald diens geboortebewijs gebruikte en daarmee een tweede Oswald creëerde. Op 20 januari 1961 bijvoorbeeld - toevallig de dag van Kennedy's inauguratie - kocht een anti-Castro-groep in New Orleans enkele auto's. De koper identificeerde zich als Joseph Moore, maar vroeg de rekening op naam van 'Oswald' te stellen, die de financiën van zijn organisatie afhandelde. Voor de liefhebbers: een lange lijst verdachte Oswald-verschijningen is ondermeer te vinden in Act of Treason - The Role of J. Edgar Hoover in the Assassination of President Kennedy (Carrol & Graf, 1991). Hier zullen we ons verder beperken tot twee van de meest omineuze.

Op of omstreeks 25 september 1963 kregen Silvia en Annie Odio in Dallas bezoek van drie onbekende mannen; hun introductie bestond uit informatie over vader Odio, een anti-Castro-activist die in Cuba gevangen zat. Hun verhaal kon alleen aan ingewijden bekend zijn. Ze zeiden lid te zijn van JURE, een strijdbare anti-Castro-groepering, en vroegen om medewerking (o.m. vertaalwerk Spaans-Engels). Eén van de drie mannen, Leon Oswald, was een blanke Noordamerikaan die nagenoeg niet sprak. Twee dagen later belde de leider van de drie naar Silvia. Hij begon ongevraagd over 'Oswald'. Het ging om een ex-marinier en scherpschutter, die van oordeel was dat de Cubaanse ballingen president Kennedy na de mislukte Varkensbaai-invasie (april 1961) hadden moeten doodschieten. Toen Kennedy twee maanden later inderdaad vermoord was, herkende Silvia Odio Lee Oswald direct als Leon.

In 1977 had het HSCA een detachement in Miami om onderzoek te doen naar connecties tussen de CIA en de anti-Castro-Cubanen, en onverwacht leken ze op het spoor te zijn gekomen van de twee mannen die 'Leon Oswald' hadden vergezeld. HSCA-onderzoeker Gaeton Fonzi herinnert zich: 'Het plan was vervolgens om foto's van die twee mannen te maken, met een verborgen camera in een autobusje, en ze aan Silvia Odio te laten zien. Van de plaatselijke politie kregen we alle medewerking, maar toen leden van het HSCA ervan hoorden, werden ze razend. We moesten ogenblikkelijk stoppen met dergelijk onderzoek. Onze frustratie was immens.''

Wat blijft is de getuigenis van Silvia Odio. Summers is er nog steeds van overtuigd dat ze de waarheid spreekt. Hij heeft Silvia en Annie dit jaar opnieuw geïnterviewd - eerder voor zijn boek, nu voor de TimeWatch-documentaire. 'Het zou kunnen dat Silvia zich vergist heeft toen ze Lee Oswald als Leon herkende, maar dat maakt het verhaal nauwelijks minder verontrustend.''

Dat voert naar de mogelijkheid dat Lee Harvey Oswald gelijk had toen hij op 22 november in het politiebureau van Dallas aan de pers liet weten just a patsy te zijn, een zondebok. De belangrijkste nieuwe vondsten in de TimeWatch-documentaire (waarvan eerder deze week een drie-uurs-versie in Amerika werd uitgezonden) ondersteunen de theorie dat er ook een Oswald-dubbelganger aan het werk was in de week na de confrontatie bij de Odio's, en wel in Mexico.

Op 26 september 1963 stapte Lee Harvey Oswald, president en tevens enig lid van de afdeling New Orleans van de Amerikaanse pro-Castro-organisatie Fair Play For Cuba, aan boord van bus 5133 van Continental Trailways. Bestemming was het dichtstbijzijnde Cubaanse Consulaat, in Mexico. Op vrijdag 27 september meldde zich daar inderdaad een Lee Harvey Oswald, maar welke? Volgens secretaresse Sylvia Duran was hij een jaar of 35, redelijk gezet, en korter dan de echte. Duran herinnert zich dat de visum-aanvrager ongeveer even lang was als zijzelf, wat een ontmoeting met de echte Lee Harvey Oswald uitsluit. Een paar uur later verscheen een Oswald bij de Russische ambassade, ook om een visum aan te vragen. Beide aanvragen werden geweigerd, en Oswald maakte in beide gevallen zeer veel stampij. (Van Oleg Nechiporenko, indertijd KGB-agent op de Russische ambassade in Mexico, verscheen onlangs een boek over de hele kwestie: Passport to Assassination, Birch Lane Press) Gelukkig nam de CIA in die tijd foto's van iedereen die in Mexico bij de Cubanen en de Russen naar binnen ging; helaas is het album slecht bijgehouden. Gelukkig is weer dat het onderzoeksteam voor de TimeWatch-documentaire getuigen opspoorde die bevestigen dat direct na 22 november in CIA-kringen al het vermoeden was gerezen dat er ook een dubbelganger aan het werk was.

Na de moord op Kennedy werd de Mexico-episode aangemerkt als bewijs ten overvloede voor Oswalds communistische sympathieën. Het hielp om de moordenaar van een motief te voorzien. Als er inderdaad een dubbelganger aan het werk is geweest, en als de echte Oswald geframed werd voor de moord, dan was 'Mexico' dus zeker een succes. Pas kort na terugkeer uit Mexico kreeg Lee Harvey Oswald zijn baantje bij het TSBD, en de route van de presidentiële stoet werd pas een paar dagen voor 22 november bekend. Dat Oswald al in september werd geprepareerd als zondebok, is in dat licht hoogst onwaarschijnlijk. Maar anderzijds kan het zijn dat eventuele samenzweerders een reeks kandidaten voor die rol bewerkten, en dat de keus te elfder ure op Oswald viel.

Er is nog een aanwijzing dat Lee Harvey Oswald in de maanden voor de moord niet alleen opereerde. Antonio Veciana was in 1963 leider (en oprichter) van de grootste en meest actieve groep anti-Castro-Cubanen in de Verenigde Staten, Alpha 66. Bij zijn werk - ondermeer twee pogingen Castro te vermoorden - stond hij tussen 1960 en 1972 in intensief contact met een Amerikaan die hij slechts kende als Maurice Bishop en die voor een niet nader geïdentificeerde inlichtingendienst werkte: de CIA, naar alle waarschijnlijkheid. Eind augustus of begin september 1963 ontbood Bishop Veciana voor overleg naar een gebouw in Dallas, en laatstgenoemde arriveerde daar iets vroeger dan afgesproken. Bishop was in gezelschap van een zwijgzame man, die even later door Bishop werd weggestuurd, en die twee maanden later door Veciana met grote stelligheid werd herkend in de media: Lee Harvey Oswald. Voor zijn werk was Veciana door Bishop zelf getraind in het onthouden en herkennen van gezichten, en hij houdt zijn claim tot op heden staande.

Uitvoerig onderzoek van samenzweringstheorie-aanhangers heeft aannemelijk gemaakt dat 'Maurice Bishop' in werkelijkheid David Phillips was, in 1963 hoofd van de afdeling Cuba van de CIA en later hoofd van de afdeling Westelijk halfrond. Vijftien jaar later, bij het afleggen van een zenuwachtige verklaring voor het HSCA, ontkende Phillips de schuilnaam Maurice Bishop gebruikt te hebben. Enkele CIA-agenten hebben verklaard dat Phillips dat wel degelijk deed.

Toen Phillips op 22 november 1963 thuiskwam, zei hij in het geheel niets. Hij vertoonde geen verdriet of opgetogenheid of zelfs maar belangstelling voor de moord op Kennedy, verklaarde zijn vrouw later. In Conspiracy schrijft Anthony Summers: 'Realiseerde hij zich [op 22 november] met afschuw dat iemand anders in de inlichtingendiensten de Oswald-connectie gebruikt had?'' Veciana heeft gezegd dat hij, kort na de moord, van Bishop het verzoek kreeg een verhaal over contacten tussen Oswald en Cubaanse diplomaten te fabriceren, dat daarna inderdaad in de pers opdook.

Over de Oswald-Bishop-Phillips-Veciana-kwestie verscheen een paar weken geleden een nieuw boek, The Last Investigation (Thundersmouth Press), van Gaeton Fonzi. Vanuit een hotel in Californië, midden in een drukke perscampagne, verklaart hij zeker te weten dat Bishop en Phillips een en dezelfde persoon zijn. Fonzi staat al ruim vijftien jaar in nauw contact met Veciana, en zweert bij zijn betrouwbaarheid. Dat Veciana en Phillips onder ede hebben verklaard dat zij elkaar niet kenden, kan hij wel verklaren. Veciana zou persoonlijk gevaar lopen als hij Phillips als Maurice Bishop had geïdentificeerd. 'Hij heeft me dingen verteld die ik niet in het boek kon schrijven. But he knows that I know. Phillips werkte onder de naam Bishop.''

Fonzi redeneert verder: 'Stel dat Veciana zich vergiste, en dat er geen connectie van welke aard dan ook bestond tussen Phillips en Oswald. Dan had Phillips een vertrouwelijk gesprek met het HSCA kunnen aanvragen, en kunnen zeggen: 'Ja, ik werkte onder de naam Bishop, en er waren clandestiene CIA-operaties tegen Castro waarover ik om veiligheidsredenen niet in het openbaar kan getuigen.' Dan was de hele zaak tot rust gekomen. Dat hij dat niet heeft gedaan, bewijst voor mij dat hij iets te verbergen had inzake Oswald en de moord op Kennedy.''

Een nieuw onderzoeksveld doemde voor Fonzi op toen hij voor zijn boek een bezoek bracht aan een begraafplaats bij een kleine plaats in Arizona. Hij stond daar voor het graf van David Sanchez Morales, door Phillips in zijn autobiografie The Night Watch (Atheneum, 1977) beschreven als een medewerker van ondergeschikt belang. Fonzi: 'Op de steen stond alleen dat hij sergeant was geweest in Korea en Vietnam, zijn naam en de jaartallen. Tijdens de HSCA-periode had ik hem al willen spreken, maar dat mocht toen niet van mijn superieuren, en in 1978 overleed hij. Ik ging naar de beheerder van de begraafplaats, en die vertelde me dat hij nog nooit zo'n begrafenis had meegemaakt: zwarte limousines vol overheids-officials hadden een stoet van bijna een mijl gevormd om Morales op zijn laatste rit te begeleiden.''

Nader onderzoek leerde dat hij een geheime, maar zeer hoge functie bij de CIA had gehad, als hoofd van een eenheid die ondermeer belast was met de uitvoering van politieke moorden. En: hij had zeer intensief samengewerkt met David Phillips.

Fonzi liet niet meer los. Hij knoopte gesprekken aan met Rubin 'Rocky' Carbajol, restauranthouder in de plaats waar Morales opgroeide, waar hij tussen de operaties door vaak naar terugkeerde, en waar hij nu rust. Van Carbajol hoorde hij dat Morales een zware drinker was, en in beschonken toestand soms dingen zei die niet voor de openbaarheid bestemd waren. Carbajol en Morales waren sinds hun schooljaren bevriend geweest. In 1976 had Carbajol een handel willen opzetten met Mexico, waar Morales goede connecties had. Carbajol had daarvoor een partner gevonden, de advocaat Bob Walton, opgeleid op Harvard. Alvorens met Morales in zee te gaan, wilde Walton hem eerst ontmoeten, waarop de CIA-agent naar Arizona kwam. Fonzi interviewde Walton en Carbajol over die ontmoeting, en hoorde over een langdurig samenzijn van de drie. Tot ver in de nacht hadden ze zitten drinken in een hotelkamer: erg prettig allemaal, totdat Walton de fout maakte te vertellen dat hij in zijn Harvard-tijd betrokken was geweest bij een uitnodiging aan president Kennedy om te komen spreken. Fonzi: 'Daarop was Morales acuut in ongekende razernij uitgebarsten. Walton zei me dat hij nog nooit iemand zo kwaad had gezien. Briesend en vloekend liep Morales een tijd door de kamer, en memoreerde ondermeer hoe hij zijn mannen had zien sterven op het strand van de Varkensbaai. Maar plotseling stopte hij, ging op een bed zitten, en zei: Well, we took care of that son of a bitch, didn't we?''

Summers beschouwt Fonzi's boek als baanbrekend, maar bepleit niettemin aanhoudende voorzichtigheid inzake de Kennedy-moord. In plaats van Conspiracy had hij liever gezien dat zijn eigen boek Conspiracy probably had geheten; de uitgever wilde anders. 'Ik blijf agnosticus. Ik ben er niet van overtuigd dat Lee Harvey Oswald op 22 november ook maar één schot heeft gelost, maar sta nog steeds open voor de mogelijkheid dat hij het helemaal alleen heeft gedaan met zijn pijl en boog.''