'Ik kan me niet aan Hem overgeven'

Alle secularisatie ten spijt, zoeken steeds meer mensen hun heil in spiritualiteit. Berthil Oosting groeide op in een gereformeerd gezin, studeerde theologie in Brussel en is nu dignitaris der Nederlands-Hervormde kerk. 'Ik gelóóf wel, maar ik kan ook uitleggen dat ik atheïst ben.' Deel drie in een serie over spirituele beleving in Nederland.

Hij gaat gehuld in een spijkerbroek en een houthakkersoverhemd en met zijn lange bakkebaarden maakt hij op het eerste gezicht niet de indruk van een dignitaris der Nederlands-Hervormde kerk. Toch is Berthil Oosting (30) de vicaris van de Eltheto-kerk in Amsterdam. Zijn geloofsbeleving is niet gemakkelijk te doorgronden. 'Want ik gelóóf wel, maar ik kan ook uitleggen dat ik atheïst ben.'' Zijn boekenkast geeft daar blijk van. Naast de 'Institutie' van Calvijn en dikke naslagwerken over exegetische onderwerpen staan Fidel Castro en zijn godsdienst, Revolutie in vredesnaam van Dom Helder Camara en de werken van Marx en Engels in 39 delen.

Oosting komt uit een gereformeerd gezin. Als kind beluisterde hij de preken van dominee De Pater. 'Die spraken me aan omdat hij uitging van je eigen kritische vermogen en hij bijzondere aandacht schonk aan de bijbelse verhalen en met name de catechese.'' Oostings relatie tot het geloof was in die tijd - en nog altijd - intellectueel van aard, rationeel haast. Met een vriend discussieerde hij regelmatig - op de fiets - over godsdienst. 'Alles wat over God gezegd wordt, komt altijd uit je eigen mond. We constateerden dus dat God een projectie kan zijn, zij het een zinvolle projectie. Maar hoe het nu precies zat, daar kwamen we niet uit.''

Na zijn middelbare school in Wales te hebben voltooid, besloot Oosting in Brussel theologie te gaan studeren. 'Ik vond dat de kerk niet deugde en dacht via de theologie te kunnen doorgronden op welke wijze de machthebbers het instituut kerk gebruiken om de zaak in handen te houden, te begrijpen waarom de God die wij denken lief te hebben niet echt is maar een idool.''

Deze invalshoek hield hij acht jaar vol. 'Dat ontwikkelde zich steeds verder. Uiteindelijk zag ik: wil je echt begrijpen hoe de wereld in elkaar steekt, dan moet je ook economie en marxisme bestuderen. Ik kwam tot de conclusie dat deze samenleving al lang niet meer in termen van goden denkt, maar in de logica van het kapitaal. Ik wilde nagaan in hoeverre het kapitaal de functie van God heeft overgenomen in een zich atheïstisch noemende maatschappij.'' Ook anno 1993 is hij marxist. 'Maar communist durf ik mij niet te noemen. Daar ben ik nog niet aan toe.''

Er was nóg een lijn die Oosting nooit losliet: die van de theologische dogmatiek. Hij voelt zich sterk aangesproken door de theorieën van de Zwitserse theoloog Karl Barth. 'Hij besloot radicaal te breken met onze westerse, liberale theologie omdat die God altijd als een annex heeft gezien van iets anders, van de vooruitgangsideologie of van het menselijk gevoel. Hij verzette zich tegen de huiver om werkelijk over God te willen spreken en Hem als een eigen macht te beschouwen.''

Aan het einde van zijn studietijd begon Oosting zichzelf 'structureel atheïst' te noemen, al had hij tegelijkertijd 'toch een band' met God. 'Ik dacht toen dat God in zichzelf leeg is en pas werkelijkheid wordt in het ontmaskeren van de machten die mensen knechten. Ik las de bijbel met het idee dat God niet tastbaar is maar slechts als anti-macht begrepen kan worden.'' Hij verwijst naar Genesis 1 waarin God wordt aangeduid als iemand die afrekent met de maan en met de sterren. 'Mijn interpretatie was dus negatief. Gods eigen troon was leeg. Het geloof betekende voor mij de bevrijding van en de gang uit het slavenhuis. Waar ik zelf naar toe ging was voor mij veel minder helder.''

Om zijn 'structureel atheïsme' te kunnen duiden, acht Oosting het van belang eerst het begrip 'atheïsme' te verklaren. 'Iedereen, inclusief mijn eigen levenspartner, zegt tegenwoordig atheïst te zijn. Maar de vraag is of je wel werkelijk een atheïst bent, zo lang je geen afstand hebt genomen van de idolatrie, van de bestaande knechtende machten zoals het patriarchaat.'' Zelf is hij er naar eigen zeggen nooit in geslaagd zich volledig van dergelijke structuren los te maken. 'In die zin ben ik dus nog steeds een structureel atheïst.''

Vroeger zag hij God 'als degene die de structureel in onze maatschappij genestelde kwade machten in al hun perversiteit onthult''. God dus als een afgeleide van het kwade. Of, zoals Oosting stelt: 'De mens is misleid en God is de macht die laat zien hoe wij misleid worden en zelf misleiden. Zoals ik toen met God omging, was Hij niet vrij. Want ik wist immers al wat de kwade machten waren. Ik was dus zelf ook niet vrij.''

In het kader van zijn theologie-studie liep Oosting in 1987 stage bij de hervormde wijkgemeente De Ark in Amsterdam-Slotervaart. Die ervaring leidde tot een omslag in zijn denken. 'Als structureel atheïst was ik geneigd de mensen voortdurend uit te leggen hoe ze misleid worden. Dat had ik tenslotte geleerd.'' Maar die houding sloeg niet aan. 'Ik merkte dat het analytische aspect geen zwaard mag zijn waarmee je de mensen om de oren kan slaan. Je moet je juist dienstbaar opstellen.''

Oosting ging bij zichzelf en bij zijn begeleider, de predikant R. Reeling Brouwer, te rade. 'Ik merkte dat ik de wereld van kerk en geloof tot dan toe op een heel studentikoze manier had ingevuld. Van die predikant leerde ik bovendien dat het veel te simpel is om de wereld onder te verdelen in onderdrukkende en bevrijdende machten.''

Hij begon zijn eigen denkwijze 'afwerend' te vinden ten aanzien van 'de vrijheid' om over 'andere oplossingen' te spreken. 'Op dat moment viel niet alleen mijn wereldbeeld in duigen, ook mijn eigen veiligheid, mijn vrijheid om te spreken over God kwam in het geding.'' Een van de belangrijkste wendingen in zijn geloofsbelevenis is volgens Oosting misschien wel dat hij het goede in God heeft leren ontdekken. 'Voor mezelf ervaar ik God steeds meer als iemand die heil brengt in mijn leven.''

De afgelopen twee jaar heeft hij sterk nagedacht over zijn relatie met zijn vriendin Petra, voegt hij daar in één adem aan toe. 'De man-vrouw-verhouding is natuurlijk bij uitstek een fenomeen waarbij de Godsvraag zich aandient. Want in relaties speelt altijd de factor macht een rol. Misschien staat God zelfs wel voor het geheim van twee of meer mensen die met elkaar omgaan in harmonie, zonder dat de één het onderspit delft ten opzichte van de ander.''

Tegenwoordig heeft Oosting een vaste baan als vicaris bij een gemeente in Amsterdam-Oost. Gemiddeld bezoeken een stuk of vijftig mensen zijn diensten. De ruimte biedt plaats aan 120 mensen. 'Die komen er bij oecumenische diensten op themadagen zoals de Vredeszondag en de Zondag van de Arbeid.'' De wekelijkse 'open maaltijd voor buurtbewoners' beschouwt hij als het meest succesvolle project van de wijkgemeente. In zijn huidige functie gaat hij eens per maand voor. Verder bezoekt hij gemeenteleden en wijdt hij zich aan 'kerk- en buurtactiviteiten'. In zekere zin is hij in de kerk 'een volstrekt buitenbeen'', geeft hij toe. 'Maar er zijn geestverwanten, al zijn we met weinig.''

Ondanks de veranderingen in zijn denkpatroon zegt Oosting nog altijd geen persoonlijke band met God te hebben. 'Ik kan God nog niet als iemand naast mij zien, me aan Hem overgeven.'' Behalve beroepsmatig bezoekt hij zelden of nooit de kerk. In zijn eentje bidt hij zelden. 'In een dienst doe ik het wel.'' Hij schrijft zijn gebeden altijd uit. 'Ik durf er niet op te vertrouwen dat God mij tijdens het bidden zal aanraken.''

Hij haalt de ordner tevoorschijn, waarin hij zijn uitgetikte gebeden bewaart. Leest voor: 'Heer, sceptisch zijn wij geworden, over de mogelijkheden ons leven te vernieuwen, over onze capaciteiten open te staan voor de ander/ Het zoeken zijn we moe, de harde realiteit, daar leggen we ons bij neer/ Wij jongeren, tegen de verveling vechten we telkens weer, elke dag op zoek naar een nieuwe kick/ Wij ouderen, door onze angsten laten we ons leiden, we verdringen onze erotische verlangens, ons hunkeren naar gemeenschap.''

Zijn eerste preek hield hij over de Februaristaking en de Golfoorlog. Na afloop kwam er een man op hem af die hem toevoegde: 'Ik heb er geen bal aan gehad. Het leek wel de radio.'' Oosting: 'Dan zak je door de grond.'' Hij zegt vast te houden aan het principe dat zijn gemeenteleden zouden moeten breken met 'de oude structuren'. Maar nu probeert hij zijn preken zo begrijpelijk en zo praktisch mogelijk te houden. 'Je moet de zaken durven te benoemen. Mijn preken zijn wel heel sterk op de maatschappij betrokken, maar ik stel er ook steeds de Godsvraag bij. Wie bepaalt hier wie de macht in handen heeft? En wie hééft de macht? God is wel almachtig, zo houd ik ze voor, maar ook geduldig ten aanzien van de mens in diens proces om zich af te keren van de weg die doodloopt.''

    • Alfred van Cleef