Herman Lamers legt wit-gipsen pompoenen in plomp kantoorpand

T/m 28 nov. in Slotzicht, Slotplein 1, Capelle aan den IJssel. Wo t/m zo 12-16u. Bus 93 vanaf CS Rotterdam. Entree ƒ 5.

CAPELLE A.D. IJSSEL, 10 NOV. Slotzicht heet het kantoorgebouw dat begin jaren vijftig als gemeentehuis van Capelle aan den IJssel werd gebouwd en sinds 1988 leegstaat. Een al te mooie naam voor dit uit staal en glas opgetrokken, plompe pand van zeven verdiepingen.

De Rotterdamse kunstenaar Herman Lamers 'ontdekte' het dichtgetimmerde gebouw en kreeg van de eigenaar, het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, toestemming om het in te richten met speciaal voor deze locatie gemaakte installaties. Begin volgend jaar is Slotzicht hetzelfde lot beschoren als veel kantoren uit dezelfde bouwperiode: het wordt afgebroken.

Lamers (1954) heeft een half jaar in volstrekte afzondering gewerkt aan zijn project, dat sinds dit weekeinde voor publiek toegankelijk is. Zijn voormalige 'atelier' is daarmee nu 'museum' geworden. Elk van de zeven etages heeft een volstrekt andere sfeer en aanzien gekregen. Het overrompelende uitzicht op de rode daken van Capelle, de hoogbouw van Alexanderpolder en de scheepvaart op de IJssel dragen in hoge mate bij aan de bijzondere belevenis die de bezoeker hier te wachten staat.

Lamers kreeg vorig jaar bekendheid met de ingreep die hij deed op de nieuwe pier van Schiphol. In een aquarium zwemmen daar nu drie haaien rond, als een symbool van de onophoudelijke beweging die heerst op de luchthaven. Het kantoor in Capelle is niet Lamers' eerste grootschalige project in een leegstaand (fabrieks)pand. Om de twee jaar pakt hij zoiets aan: het begon twaalf jaar geleden met broodfabriek De Toekomst in Groningen waar Lamers aan de kunstacademie studeerde. Later liet hij zijn sporen achter in de behangfabriek Cohen te Rotterdam, in een immense verlaten wasserette in Schiedam en in graanopslag De Pelmolen in Vlaardingen. Steeds liet hij de ruimtes op zich inwerken om ter plaatse installaties 'op maat' te kunnen maken. Op die manier schept Lamers een grote vrijheid voor zichzelf en hoeft hij geen compromissen te sluiten met musea of galeries.

“Ik ben een subsidiekindje”, licht hij toe als ik hem vraag hoe hij dat allemaal kan bekostigen. “Ik ben een modelvoorbeeld van wat voorheen de BKR-kunstenaar was en nu de werkbeurs-kunstenaar. Maar al dat geld zit ook daadwerkelijk in mijn installaties, ik moet er nog op toeleggen. Met vakantie gaan doe ik bijvoorbeeld al tien jaar niet meer.”

Lamers werkte een half jaar om de resultaten drie weken tentoon te stellen. “Veel mensen zullen dat wel gek vinden: zoveel tijd besteden aan iets dat toch weer verdwijnt. Ik zoek juist gebouwen die gesloopt worden omdat het mij te doen is om het residu dat de kunst achterlaat in het hoofd van de kijker.”

Typerend voor Slotzicht vindt Lamers de gang van donker naar licht die de bezoeker doormaakt: je komt binnen op de verduisterde begane grond en eindigt in de voormalige kantine op de zevende verdieping die als een 'penthouse' bovenop het dak staat. Lamers accentueerde in de donkere ruimtes het gebrek aan licht terwijl hij op één van de hoogste en lichtste etages juist extra tl-licht aanbracht.

Onderin het gebouw hangen de twee immense kooien met knalgele parkieten die hij in mei ook in Loods 6 toonde als onderdeel van een presentatie van het Fonds voor de Beeldende Kunst, Bouwkunst en Vormgeving. De dieren worden uitgelicht door aan de wand bevestigde lichtbakken.

Op de eerste etage groeien twee immense wit-gipsen pompoenen in een verduisterde ruimte; de vruchten gedijen zó goed dat ze monsterlijke proporties hebben aangenomen: ze zitten klem tussen de vloer en het plafond en het zou je niet verbazen als ze op de volgende verdieping weer op zouden duiken. Maar daar heerst een heel andere sfeer. In helder daglicht badend staan er heuphoge plateau's bekleed met kunstgras waarop een ouderwetse vuilnisbak, een kast met de Winkler Prins uit 1955 en een jaren vijftig bureaustoel staan. Het zijn verwijzingen naar Lamers' jeugd in die naoorlogse jaren. Ook op de vijfde etage zijn meer persoonlijke sporen nagelaten door de kunstenaar: op lichtbakken verschijnen de in een halve cirkel gezette afdrukken van elk van Lamers' tien vingers, terwijl een grillig plateau bekleed met zwart tapijt het uitvergrote profiel van de kunstenaar blijkt te reproduceren. 'Zouden de bezoekers over mijn hoofd durven lopen?' vraagt Lamers zich af. De opgeblazen proporties van zijn voeten fungeren even verderop als zitbanken vanwaar je het schitterende panorama kunt bekijken.

In de kantine op het dak is alleen de contour van Antarctica aan het plafond bevestigd, een treffende samenvatting van het einde-van-de-wereldgevoel dat, na die lange klim via uitgestrekte en eenzame ruimtes, overblijft. De zon licht de schepen op de IJssel uit en de grillige afwisseling van bouwstijlen in het wanordelijk tot stand gekomen Capelle. Op het dak wapperen de vlaggen die Lamers liet ontwerpen en waarop het continent van zijn eigen gezicht is afgebeeld naast Antarctica. Lamers is in dat halfjaar aan dit gebouw gehecht geraakt: “Hoe lelijk ook, toch is het jammer dat er van dit soort bouw straks bijna niets over zal zijn in Nederland.”

    • Renée Steenbergen