Firooz Behnam (35) is politiek vluchteling uit ...

Firooz Behnam (35) is politiek vluchteling uit Iran en 'aspirant-asielzoeker'. Hij kwam op 7 september in Nederland aan en wacht sindsdien in een Asielzoekerscentrum (AZC) nabij Amsterdam op een 'intake-gesprek' met de vreemdelingenpolitie. Behnam, die in Iran als psycholoog werkzaam was is ongehuwd.

Donderdag

Tijdens het ontbijt zit ik aan tafel met Kambiz uit Iran en met anderen uit Zaïre. Kambiz klaagt zoals altijd over het eten. Hij zegt: 'Elke dag een plak kaas en een plak ham. Dit is heel slecht.'' Toen ik na het ontbijt het restaurant uit ging had ik niets te doen, zoals iedere dag. Ik moet tot half een, lunchtijd, de tijd zien door te komen. Ik vraag me ook af: hoe kom ik de tijd door van de lunch tot aan het avondeten? Ik denk bij mezelf: al meer dan veertig dagen heb ik op deze manier geleefd. Hoe vervelend is het om deze dagelijkse, uitzichtloze sleur te ervaren. Mijn gedachten en gevoelens over het bestaan van vluchteling zijn totaal veranderd.

Hoeveel verschillende mensen zijn hier? Wat is het gemeenschappelijke tussen al deze mensen? Onzekerheid. En iedereen maakt zich zorgen over de toekomst. Wordt de aanvraag geaccepteerd? Mag ik in Nederland blijven? Of word ik gedeporteerd?

Het is deze onzekerheid waardoor in het AZC veel vals nieuws wordt verspreid. Zoals bijvoorbeeld: op het Centraal Station kun je het levensverhaal van een vluchteling voor ƒ 100,- verkopen. Of: er zijn advocaten die voor geld alles regelen. Zelfs als je in jouw land een ernstig misdrijf begaan hebt, en alleen voor het ontlopen van de straf je land hebt verlaten, dan zouden hier advocaten zijn die, voor geld, voor jou de politieke vluchtelingenstatus kunnen regelen.

's Avonds heb ik Nederlandse les. Drie mensen van onze kamer volgen de les. Tien minuten voordat de les beëindigd wordt, verlaat M. het vertrek om een telefoongesprek te voeren. M. vergeet daarbij zijn jas mee te nemen. Een kamergenoot van M. (persoon Z.) neemt de jas mee terug. Wanneer M. zijn jas terug krijgt, kijkt hij meteen in zijn zakken en merkt hij dat wat in zijn jas zat, is verdwenen. Hij verbleekt van schrik. Hij vertelt zijn kamergenoten wat er gebeurd is. Iedereen, ook Z., begint te zoeken, overal; onder stoelen en tafels en op de weg van het restaurant naar de kamer. M. verdenkt Z. ervan dat hij alles uit zijn zakken gestolen heeft. M. had in zijn jas 100 Amerikaanse dollars, en 180 Nederlandse guldens, maar ook een aantal belangrijke documenten waaruit blijkt dat hij in zijn land wegens politieke activiteiten wordt vervolgd.

Z. ontkent alles. Kamergenoten zeggen M. en Z. rustig te blijven en weten een ruzie te voorkomen. M. geeft dezelfde avond de man van de beveiliging door wat er gebeurd is. Deze zegt tegen M. dat hij tot morgenochtend moet wachten. Omdat M. geen Engels spreekt vraagt hij mij of ik morgen, als vertaler, mee wil gaan.

Vrijdag

Zoals afgesproken gaan M. en ik deze ochtend naar de AZC-medewerkers om te vertellen wat er gebeurd is. Een vrouw zegt ons dat zij hier niets aan kan doen, maar dat wij dit moeten doorgeven aan de politie in Ganzenhoef. Daar wordt ons door een agent verteld dat we op een ander bureau moeten zijn: het bureau voor vermiste voorwerpen. M. zegt tegen de agent dat zijn geld en papieren niet zijn zoekgeraakt, maar gestolen. Ik vertaal dit voor de politieagent. De agent wil bewijzen. M. legt uit wat er gebeurd is en geeft argumenten. De politieagent vindt dit niet voldoende. Eindelijk, na aandringen van M., vraagt de politieagent ons om op de gang te gaan zitten wachten. Er komt een andere agent die ons naar een andere kamer brengt. Daar stelt hij vragen en maakt een rapport op. M. krijgt een kopie van het rapport.

Op de weg terug van het politiebureau naar het AZC is M. erg verdrietig. Hij heeft geen cent meer op zak.

Het is vrijdag vandaag; we krijgen zakgeld. M. zegt: 'Ik zou willen dat er vandaag behalve zakgeld ook kledinggeld gegeven zou worden, omdat ik helemaal niets meer heb.'' We staan in de rij voor het zakgeld. Deze rij is altijd het langst. Iedereen wil zo snel mogelijk het zakgeld van ƒ 20,- hebben, dat wij per week krijgen. Soms krijgen mensen hier ruzie met elkaar. Medewerkers en de man van de beveiliging doen hun best om alles rustig te laten verlopen en vragen met harde stem om in de rij te blijven en niet te duwen. 'Jullie lijken wel kleine kinderen.''

Iemand uit Somalië gaat, met boze ogen, naar de man van de beveiliging en zegt tegen hem: 'Je moet uitkijken wat je tegen ons zegt.'' Ik was bang dat er ruzie zou komen tussen hen, maar omdat alle mensen boos waren, begreep de man van de beveiliging dat hij fout was geweest en werd alles weer rustig.

Op vrijdagmiddag denken alle mensen hier: 'Ik ben heel rijk.''

Zaterdag

In het restaurant zit, twee tafels bij mij vandaan, een jongen bij het raam. Hij zit met zijn rug naar mij toe. Bij hem aan tafel zit een medewerkster van het AZC. Zijn schouders maken een schokkende beweging en ik begrijp dat hij zit te huilen. De medewerkster probeert hem te troosten. Aan A., die tegenover mij aan tafel zit, vraag ik: Weet jij waarom hij huilt? Hij zegt: 'Er is voor hem een negatief antwoord gekomen en hij moet binnen dertig dagen Nederland verlaten.'' Iemand anders zegt: 'Vorige week hebben, in een andere stad, twee asielzoekers die een negatief antwoord hadden gekregen, zelfmoord gepleegd.'' Een ander zegt dat de Nederlandse regering heeft besloten dat veel asielzoekers het land moeten worden uitgezet, namelijk alle mensen die afkomstig zijn uit Oosteuropese landen. Zo wordt er meer onjuist nieuws verspreid.

Na het ontbijt wil ik met P. naar het Waterlooplein gaan. We brengen onze eetbonnen naar het restaurant en we krijgen een deel van onze lunch, omdat we waarschijnlijk niet op tijd terug zijn. Van hier naar het Waterlooplein met de metro is elf haltes. P. zegt: 'Een strippenkaart is duur, laten we zwart rijden.'' Er zijn veel plaatsen vrij, maar we blijven bij de deur staan om goed op de controleurs te kunnen letten. We voelen ons helemaal niet op ons gemak, en tellen de haltes in spanning af: nog tien, nog negen, nog acht... Pas als we bij het Waterlooplein uitstappen valt de spanning van ons af. Mijn vriend koopt een paar schoenen. Ik zoek een goedkope schaar waarmee P. mijn haar kan knippen. Op de terugreis zitten we opnieuw elf keer in spanning.

In de rij voor het diner.

De chef van de bediening heeft ruzie met een Irakees. Hij wil voor de tweede keer eten hebben, maar dat wordt hem niet gegeven. Het meningsverschil wordt heftig. De rij voor het eten komt tot stilstand en ieders aandacht is gevestigd op die twee. Een van de AZC-medewerkers komt ertussen en vraagt waar het over gaat. De chef van de bediening legt het uit en de AZC-medewerker vraagt de Irakees om de rij voor het eten te verlaten. De Irakees zegt dat hij tot nu toe nog nooit voor een tweede keer om eten gevraagd heeft. Maar vandaag is zijn honger werkelijk nog niet gestild. De medewerker van het AZC vertelt hem, dat hij moet wachten tot het serveren is beëindigd. Als er dan nog eten over is, kan hij nog een keer krijgen. Het is duidelijk dat de Irakees zich erg schaamt. Zijn gezicht is helemaal rood. Hij gaat naar de tafel van zijn vrienden toe. Ik dacht dat hij erg teleurgesteld was en niet opnieuw om eten zou vragen. Maar toen de rij voor het eten weg was stond hij op. Hij nam een bord en ging naar de plaats waar het eten geserveerd wordt. Wat een gebeurtenis! Precies op het moment dat hij zijn lege bord naar voren bracht, zei de medewerker van het AZC: 'Je kan alleen eten zonder vlees krijgen.'' De Irakees werd tot zijn oren toe rood. Hij gooide zijn lege bord op de grond en snelde het restaurant uit.

In de Iraanse gevangenis waar wij zaten waren de maaltijden meestal zonder vlees. Alleen op speciale dagen, zoals feestdagen, gaven zij eten met vlees. Twee gevangenen moesten er uit één bord eten. Op 'Ede Ghorban' (Islamitische feestdag) werd rijst met saus gegeven waarin ook vlees zat. Ieder van ons probeerde meer vlees te eten dan zijn celgenoot. Degene met wie ik het bord deelde, at heel snel. Op het laatst stopte hij het stuk vlees dat ik wilde opeten in zijn mond.

Zondag

Een deel van de christenen woont in de vroege ochtend een kerkdienst bij en is niet aanwezig bij het ontbijt. Daarom is het rustiger in de rij in het restaurant.

Tien uur. Op de weg terug van het restaurant naar de kamers gebeurt er iets waardoor de zaak van de gestolen spullen opnieuw opleeft. Twee kleine jongens vinden vlakbij het raam van onze kamer een foto in het gras. De kinderen herkennen M. en geven hem de foto. M. zegt tegen ons: 'Zie je wel, ik heb toch gezegd dat mijn spullen gestolen zijn. De dief heeft het geld en de belangrijke documenten gestolen en de foto weggegooid.'' M. houdt vol dat Z. de schuldige is. Hij vraagt mij om opnieuw om samen naar de politie te gaan om de foto te laten zien. Misschien kan de politie door de vingerafdrukken er achter komen wie de dader is.

Een jonge agent staat ons op norse en nerveuze wijze te woord. Een groot verschil met de vorige keer. Zijn optreden brengt bij mij herinneringen boven, een gebeurtenis op het politiebureau van Teheran. Die dag heeft een politieagent mij heel veel geslagen. Hij werd daarbij nog geholpen door een andere politieagent. De politie van Teheran had mij voor een rechtbank gesleept omdat ik een agent in functie zou hebben beledigd. Door die rechtbank ben ik veroordeeld tot tachtig stokslagen. Door de blik van deze politieagent op Ganzenhoef voelde ik een brandende, trillende pijn op mijn rug, alsof ik op dat moment opnieuw geslagen werd.

Ik laat hem de kopie van het proces-verbaal zien, opgemaakt toen wij de eerste keer op Ganzenhoef waren. Hij zegt dat dit geen overtuigend bewijs is dat de papieren gestolen zijn, want in het proces-verbaal staat niets over een foto. Uiteindelijk raakt de politieagent ervan overtuigd dat de foto bij de papieren heeft gezeten. Door het gedrag van deze politieagent en door zijn uitspraken dat wij maar asielzoekers en buitenlanders zijn, is M. zeer verdrietig. Ook ik voel me bedroefd, misschien nog meer dan hij.

Maandag

Vanochtend ga ik naar het artsencentrum Nelestein. Ik heb een afspraak voor het behandelen van mijn oorpijn. Omdat ik de weg niet goed ken, kom ik later dan op de afgesproken tijd aan, maar bij de balie wordt mijn excuus geaccepteerd. Ik zit in de wachtkamer van het artsencentrum Nelestein. Een meisje met chique kleren en keurige make-up zit tegenover mij. Zij leest een tijdschrift. Wat is zij rustig! Wat ziet haar gezicht er blij uit! Het lijkt alsof zij geen problemen in haar leven heeft. Het lijkt zelfs of zij niet eens ziek is.

Door deze aanblik komt het gezicht van een ander meisje voor mijn geestesoog. Het was in de wachtkamer van de afdeling Hemodialysis van een ziekenhuis in Teheran. Wat zag zij er uitgebloeid uit. Hoe verdrietig en hoe wanhopig. Zij was gekomen om een van haar nieren te verkopen, en wat smeekte zij om die te verkopen. Het antwoord op mijn vraag waarom ze haar nieren verkocht, luidde: 'Mijn moeder en ik lijden heel veel honger. Mijn moeder is ziek, voor haar behandeling heb ik geen geld. Ik heb veel schulden. Aan de huisbaas, aan vrienden, aan de buren, aan familie en aan al de winkeliers van onze buurt ben ik heel wat schuldig.'' De hele dag denk ik aan die nierenverkoopster. Wat is de waarde van uw lichaamsdelen? Zou u een van uw lichaamsdelen voor ƒ 3000,- te koop aanbieden? In een hoek van deze wereld wordt een nier zelfs voor minder dan ƒ 3000,- verkocht, en voor het verkopen ervan wordt gesmeekt.

Dinsdag

Al een week lang wil ik mijn kleren wassen, maar iedere keer als ik naar de wasruimte ga zijn de beide machines bezet. Vanochtend vóór het ontbijt pak ik mijn zak met vuile kleren en ga naar het washok. Twee Indiërs hebben hun kleren al in de wasmachines gedaan. Goed, het geeft niet. Daarna ben ik aan de beurt. Volgens de regels van het huis zet ik mijn zak met vuile kleren op één van de wasmachines ten teken dat ik hierna aan de beurt ben.

Het is tijd om te ontbijten. De twee Indiërs komen na mij ook naar het restaurant. Ik vraag hen of de wasmachines al klaar zijn. Nog een half uurtje, zeggen ze. Na het ontbijt ga ik naar het washok. De wasmachines zijn nog niet klaar. Maar tot mijn verbazing staan op de wasmachines andere zakken. Mijn lege vuile zak ligt er wel, maar van mijn kleren geen spoor. De twee Indiërs komen terug en ik vraag hen wat er is gebeurd met mijn kleren. Verbaasd zeggen ze dat ze van niets weten. Ik ben uit mijn doen. Jammer; ik ben al mijn kleren kwijt. Ik kijk een aantal keren naar de lege zak. Wat moet ik nu doen? Ik raak in gedachten verzonken.

Op de deur en de wanden van het washok zijn leuzen geschreven. Een van de leuzen luidt:

Let's go to our own countries and fuck to damn

Eén van de Indiërs haalt zijn kleren uit de machine om ze in de wasdroger te doen. Hij merkt dat er een overhemd bij zit, dat niet van hem is. En vervolgens een sok die ook niet de zijne is... nu een overhemd en dan andere kledingstukken... geen ervan is van hem, maar ze zijn tegelijk met zijn kleren gewassen. Ik zie dat ze van mij zijn. Ik pak mijn kleren uit zijn stapel wasgoed. Het zijn niet àl mijn kleren, maar ongeveer de helft. Nu is de volgende machine klaar. Daarin zit de rest van mijn kleren. Twee Albaniërs wachten tot de Indiërs hun was uit de machines halen zodat zij hun kleren kunnen wassen. Nu begrijp ik dat het hùn werk was. Zij wilden sneller aan de beurt zijn. Er is niks aan te doen.

Woensdag

Elke week op woensdagochtend worden de lakens, de slopen en de handdoeken verschoond. Het is een chaotische rij. Iedereen heeft haast, maar ik weet niet waarom. Het lijkt of niemand het leuk vindt om in de rij te staan.

Het regent vandaag zonder ophouden. Daardoor blijft iedereen in de kamers en op de gangen. De gangen zijn drukker dan op andere dagen. Uit sommige kamers hoor je harde muziek. Alle soorten muziek. Europese, Arabische Perzische of Turkse muziek...

Aan het begin van de gang op de eerste verdieping is de telefoonruimte. Ik wacht op een telefoontje. Er zijn ook andere mensen. Ze hebben het over een nieuwe ruzie: wegens het gebrek aan kamers werden twee echtparen op één kamer geplaatst. Ze hebben weliswaar geen kinderen, maar het betekent wèl vier mensen in een kamer. Tussen de twee mannen ontstond ruzie, want één van hen wilde in aanwezigheid van de anderen met zijn eigen vrouw vrijen.

    • Firooz Behnam
    • Helena Ghaffari
    • F. Vojdani