Europa werkt hoe langer hoe korter

Onder druk van de wederom hoog oplopende werkloosheid laait in verschillende Europese landen de discussie over korter werken (weer) op. Als er niet genoeg betaald werk is voor iedereen die wil werken, wat is er dan op tegen te proberen het bestaande werk beter over al die mensen te verdelen?

Economen verdringen zich om deze redenering als onverantwoord simplisme aan de kaak te stellen. Fijntjes wijzen ze erop dat Europa al hoe langer hoe korter werkt: in Duitsland nog maar 1667 uur per jaar, in Frankrijk 1771 uur; Nederland zit daar tussenin met 1732 uur. Aantallen die ver achterblijven bij de gemiddelde arbeidsduur in Japan (2080 uur) en de Verenigde Staten (1912 uur). Het zou een extra handicap voor Europa vormen in de toenemende internationale concurrentiestrijd. Om daarin overeind te blijven zou Europa, met Noordwest-Europa voorop, er beter aan doen te snoeien in de regelgeving in zijn arbeidsbestel.

De vakbeweging in Europa blijft daarentegen arbeidstijdverkorting beschouwen als geschikt wapen tegen de werkloosheid. Op grond van de historie claimt zij het gelijk aan haar zijde te hebben. Met de stijging van het welvaartspeil daalde de individuele (betaalde) arbeidstijd, ook al duurde het vaak vele decennia voordat een gekozen doel werd bereikt.

Gaf de strijd om een werkdag van acht uur de Europese werkgelegenheid een eeuw geleden een flinke impuls, nu mikt de vakbeweging op een soortgelijk effect met een werkdag van negen uur. Tòen ging het om invoering van een zesdaagse werkweek, nu schildert zij een vierdaagse werkweek als wenkend perspectief. Zelfs het met grote problemen kampende Volkswagen-concern ziet er wat in.

Nog korter werken in Europa? Impressies uit vijf landen: België, Duitsland, Frankrijk, Nederland en Spanje.