EEN ONVOORSPELBAAR WEEKBLAD; 77 jaren Haagse Post

Rare jaren. Nederland en de Haagse Post 1914-1990 door John Jansen van Galen en Hendrik Spiering 343 blz., geïll., Nijgh & Van Ditmar 1993, ƒ 39,90 ISBN 90 388 2661 3

Dat Rare jaren in de tegenwoordige tijd is geschreven ofschoon het boek zich in het verleden afspeelt, is hopeloos, maar niet ernstig. Hoofdauteur John Jansen van Galen had het, gezien zijn schrijftalent, niet nodig gehad de hulpmotor aan te zetten waarop luiere vakgenoten terugvallen als ze een verhaal over vroeger vaart willen geven. De historische tegenwoordige tijd moet 'snelheid' en 'actualiteit' suggereren, maar produceert in de praktijk meestal niet meer dan een vermoeiende hijgerigheid. Toch schrijft Jansen van Galen zo goed dat het boek zelfs die door hemzelf gepleegde moordaanslag overleeft.

Deze stijlkwestie frappeerde mij om nog een andere reden. Dertien jaar geleden publiceerde het met de Haagse Post concurrerende weekblad Vrij Nederland, waarvan ik toen redacteur was, een uitgebreide en nauwkeurige reconstructie van de Vondelstraatrellen zoals beleefd door de Mobiele Eenheid. Doordat deze reportage enig opzien baarde - men verwachtte van een 'links' weekblad als VN immers geen pogingen zich in 'de tegenstander' in te leven - viel het ook op dat het verhaal in de verleden tijd was geschreven. Een paar maanden daarna plaatste HP een uitgebreid en nauwkeurig portret van de Amsterdamse rechtbank. Ook dat was in de verleden tijd geschreven - hoewel het beschrevene zich afspeelde in het heden!

Dat kwikzilverige van HP, het rusteloos zoeken naar nieuwe trends en modes, culminerend in het absolute eindpunt, het omslagartikel over 'De Nieuwe Hond', is de voornaamste schakel tussen 'Nederland' enerzijds en de 'Haagse Post' anderzijds, blijkens de ondertitel de twee polen waartussen de inhoud van dit boek zich beweegt. Juist dit weekblad onderscheidde zich niet toevallig door zijn modegevoeligheid van de rest van de Nederlandse opiniepers. De andere weekbladen wortelen duidelijk in een bepaalde geestelijke achtergrond, en vinden daarin ook nu nog hun lezers. Hervormd Nederland verloochent zelfs tegenwoordig zijn vrijzinnig-christelijke afkomst niet. De Groene Amsterdammer stoelt op een onafhankelijke, radicaal-linkse traditie van een eeuw. Vrij Nederland betrekt zijn identiteit uit zijn christelijk-progressieve verzetsverleden. Elsevier mag dan niet meer zo rechts zijn als vroeger, het was en is niet bedoeld voor hemelbestormers. En zelfs toen De Nieuwe Linie zaliger nagedachtenis zich door een interne linkse explosie begin jaren zeventig van de aarde losmaakte, bleven fragmenten van haar roomse verleden herkenbaar.

Als enige weekblad kon de Haagse Post zijn ontstaan niet herleiden tot een stroming of een overtuiging, maar tot de gril van één man, die er als reclameslogan voor had bedacht: 'Het rose weekblad met den aardigen inhoud'. S.F. van Oss, de legendarische beleggingsexpert - dusdanig thuis in spoorwegobligaties dat er in de VS zelfs een stationnetje naar hem werd vernoemd (Vanoss) - en financieel journalist, wilde geen uitgesproken denkbeelden in zijn blad. Die zouden potentiële afnemers kunnen tegenstaan. Als voor de Tweede Wereldoorlog het begrip 'opinieweekblad' al had bestaan, zou de Haagsche Post er niet onder zijn gerangschikt. Voor zover in het blad geestelijke stromingen konden worden aangetroffen, bewogen ze zich op het niveau van oplossingen voor het 'dienstbodenvraagstuk' dan wel kruistochten tegen misleidende prospectussen voor aandelenemissies.

PRIJSVRAGEN

Wat de Haagsche Post vanaf de oprichting in 1914 tot aan de dood van Van Oss in 1949 dan wèl voor weekblad was, wordt uit Rare jaren niet helemaal duidelijk. Uit de verantwoording achterin het boek blijkt dat Spiering en Van Galen over die periode weinig bronnen hebben geraadpleegd. Een redactie-archief uit die tijd is spoorloos, en nagenoeg alle vooroorlogse redacteuren en medewerkers zullen wel dood zijn. Als hun voornaamste richtsnoer, naast de jaargangen van het blad, hanteren ze Van Oss' in 1945 verschenen autobiografie Vijftig jaren journalist, waarvan ik proefondervindelijk heb vastgesteld dat deze bij menige journalist met historische belangstelling thuis de boekenkast siert. Daaronder is ook de mijne, zodat ik weinig nieuws heb gelezen. Enig speurwerk in de archieven van Binnenlandse- en Buitenlandse Zaken was niet overbodig geweest. Van Oss bezocht graag internationale conferenties, en schurkte zich daar behaaglijk tegen de groten der aarde, een gewoonte waarvan aan het Plein zeker nota zal zijn genomen. Wat was er trouwens waar van het gerucht dat de hoofdredacteur in contact stond met de militaire inlichtingendienst GS III? Spiering en Van Galen reppen er niet van.

Wel leverden gesprekken met enkele nazaten van Van Oss nog wat interessante biografische informatie op over S.F., zoals hij algemeen werd genoemd. Het gegeven bijvoorbeeld dat zijn huwelijk slecht was - zijn Engelse vrouw verliet hem in de jaren twintig voorgoed - vormde een belangrijke drijfveer voor Van Oss om zich obsessief met zijn blad te bemoeien. De Haagsche Post was S.F. van Oss, en andersom.

Wat Van Galen en Spiering verder hadden kunnen doen om het blad tussen 1914 en 1940 meer perspectief te geven, was het te plaatsen tegen de achtergrond van de overige dag-en weekbladpers in Nederland. Waardoor was het succes van de Haagsche Post, met meer dan zeventigduizend abonnees, te verklaren? Wat had het weekblad dat de rest niet had, afgezien van het rose papier? Van Galen en Spiering citeren uitgebreid uit Van Oss' volumineuze hoofdartikelen, die toch, zoals ook uit Vijftig jaren journalist blijkt, hoofdzakelijk neerkomen op bezorgd tikken tegen de barometer van de wereldvrede om te constateren dat het maar niet wil zomeren. Bij mij wil het er niet in dat deze stukken een magnetische aantrekkingskracht op abonnees uitoefenden, evenmin als de truttige prijsvragen waarmee Van Oss zijn blad lardeerde. Weliswaar schreef een beroemdheid als Louis Couperus reisreportages voor de Haagsche Post, zijn medewerking aan het blad duurde te kort om als factor van belang te kunnen gelden.

In de Tweede Wereldoorlog vegeteerde de Haagsche Post voort, gescheiden van zijn inmiddels hoogbejaarde geestelijke vader, die wegens zijn joodse afkomst in een soort semi-onderduik op een kamer bij zijn dochter vertoefde. Na de bevrijding werden S.F. en zijn blad herenigd, maar de journalistieke magie die dit koppel kennelijk voor de oorlog had opgewekt, werkte niet meer. De lezers hadden niet zoveel zin in een orgaan dat 'vervuld van een ruime liberale geest, beschaafd van toon' was, maar volgens enkele oud-redacteuren ook erg saai. In zijn werkkamer in het HP-gebouw aan het Haagse Noordeinde zat Van Oss eigenwijs, nukkig en somberend het blad van 1914 opnieuw te maken. Over de oplagecijfers liet hij niets meer los. In 1949 stierf hij ineens.

De dood van S.F. markeert het historische moment waarop de Haagsche Post definitief van zijn ankers sloeg. Na de dood van de oprichter verkochten diens erfgenamen HP aan een groepering van rancuneuze ondernemers die onder de naam 'Burgerrecht' kortstondige bekendheid kreeg. Was de oorlog de eerste volledige stijlbreuk in de journalistieke geschiedenis van HP, Burgerrecht veroorzaakte de tweede. De complete redactie, die gedeeltelijk nog uit het naoorlogse Van Oss-tijdperk stamde, nam niet eens de moeite ontslag te nemen; ze bleef gewoon van de burelen weg. Enkele obscure heren vulden het weekblad daarna met reactionaire prietpraat totdat HP het bij zelfs de trouwste lezers had verbruid. Ten tijde van de verkoop van HP aan de gewezen hoofdredacteur van Elseviers Weekblad, mr. G.B.J. Hiltermann, had HP nog maar zesduizend abonnees. Dat was in 1952.

HILTERMANN

Spiering en Van Galen snellen met betreurenswaardige haast door de Burgerrecht-episode. Hier was een mooie gelegenheid geweest de geschiedschrijving van HP te verrijken met die van een merkwaardig aspect van Nederland. Uit mijn overigens schaarse eigen kennis van Burgerrecht staat mij bij dat de club wel ietsje minder onbetekenend was dan de auteurs suggereren. De aankoop van de Haagse Post - verschijnend naast het al bestaande weekblad Burgerrecht - was bedoeld als een verdere stap op weg naar een media-imperium, waartoe ook De Telegraaf moest gaan behoren.

Vanaf de periode-Hiltermann lijkt John Jansen van Galen zich eindelijk op vertrouwd terrein te voelen. De toon wordt een tikkeltje snaakser, de anekdotes talrijker. De lezer krijgt de indruk een van de betere stukken te lezen uit ... de Haagse Post van de jaren zeventig. Van Galen kwam pas tegen het einde van de jaren zestig bij HP in dienst, maar de grondslag voor de stilistische en inhoudelijke vernieuwing werd gelegd door Hiltermann en diens enigszins excentrieke vriendin en latere echtgenote Sylvia Brandts Buys.

Links heeft krachtig de draak gestoken met Avro-commentator 'Meestergébéjé', maar zijn betekenis voor de ontwikkeling van de journalistiek is niet te verwaarlozen. Hij en zijn vrouw oogden, met hun teckels en hun huisknecht, als boegbeelden van het establishment. Niettemin namen ze de 'heertjes' aan, zoals Sylvia Brandts Buys haar redacteuren noemde: een gezelschap wonderlijke nonconformisten, die soms de gedaante van 'kunstenaar' aannamen, zoals Armando, Jan Cremer, Hans Sleutelaar en Simon Vinkenoog. Maar ook aan degenen zonder artistieke pretenties was een interessante steek los (Trino Flothuis, Emile van Konijnenburg, Eelke de Jong, Joop van Tijn, Cherry Duyns). Hiltermann, die het weekblad kocht met familiegeld omdat hij zelf eens 'courantier' wilde zijn, toonde zich een ouderwetse liberaal. Hij liet Van Tijn door zijn vrouw in dienst nemen hoewel Van Tijn net in het studentenblad Propria Cures Hiltermanns oorlogsverleden had gehekeld (hij was tot 1942 redacteur van De Telegraaf, en zou in die hoedanigheid verantwoordelijk zijn geweest voor de triomfantelijke kop 'Londen één vlammenzee' - en niet 'Londen brandt' zoals Van Galen en Spiering schrijven - boven een groot bericht over de bombardementssuccessen van de Luftwaffe). In het verhaal dat hierover op de VN-redactie in omloop was, stelde Brandts Buys de nieuwe aanwinst tijdens een broodjeslunch met de 'heertjes' aan haar man voor met de woorden: 'Zeg, Guus, dit is nu het heertje Van Tijn dat laatst heeft geschreven dat jij bij de SS was.' Waarop Hiltermann na enig moeizaam kauwen en slikken zou hebben uitgebracht: 'De broodjes tartaar zijn weer uitstekend vandaag.' Volgens Rare jaren viel er alleen maar een stilte. Weer is een mythe gesneuveld.

De heertjes schreven móóie verhalen. Ze moesten lezen als een trein. Meningen waren niet bon ton; die werden overgelaten aan Hiltermanns hoofdartikel. De journalist moest zich opstellen als de koele waarnemer, die schijnbaar meer was geïnteresseerd in triviale details dan in de hoofdlijnen. 'Schrijf het allemaal deadpan op, met de verbazing van iemand die net van Mars komt,' luidde de instructie die de kersverse kunstredactrice Betty van Garrel ontving van Armando. In de tamelijk voorspelbare journalistiek van die dagen was deze benadering nieuw. De HP begon op te vallen, zij het dus weer niet als opiniërend orgaan.

LINKS

De tragiek van de naoorlogse HP was dat zijn journalistieke bijzonderheid zelden is vertaald in commercieel succes. Na ruim vijftien jaar kon ook Hiltermann het financieel niet langer bolwerken. Hij verkocht het blad in 1968 aan Elseviers dochtermaatschappij Bonaventura, tevens uitgeefster van Elseviers Magazine. Hoofdredacteur werd de gerenommeerde journalist W.L. Brugsma, die van HP een news magazine in de trant van L'Express of Der Spiegel wilde maken. Deze ambitie was echter te hoog gegrepen; om het nieuws werkelijk van week tot week uit te diepen, ontbraken de mensen en de middelen. Het was trouwens de vraag of 'mooi schrijven' met deze aanpak te combineren viel. De eerste meningsverschillen ter redactie ontstonden.

Daarbij kwam dat weer een andere journalistieke vorm haar intrede bij HP had gedaan. Het blad was in de greep geraakt van de jaren zeventig. Links en arbeideristisch zijn was in; het eerste progressieve meerderheidskabinet in de Nederlandse historie had 'leuke dingen voor de mensen' beloofd. In HP leidde deze trend tot een ontvlammen van de belangstelling voor sociaal-economische onderwerpen, in het bijzonder voor de vakbeweging. De gloriejaren van het journalistenduo Frans Nypels en Kees Tamboer waren aangebroken. Met hun gedreven reportages over de manier waarop de vakbonden - en wel speciaal Industriebondvoorzitter Arie Groenevelt - bij de radicale hervorming van de maatschappij het voortouw zouden nemen, drukten ze een markant stempel op HP. Het weekblad was voor ministers verplichte kost geworden. Premier Joop den Uyl persoonlijk nam de moeite Nypels en Tamboer te kapittelen als ze met hun indringend geschrijf de Haagse politiek weer eens voor de voeten hadden gelopen.

Van Galen en Spiering beschouwen de periode tussen 1970 en pakweg 1977, toen HP 'ergens voor stond', als de beste tijd van het blad sinds de oorlog. Misschien was dat wel zo. HP voerde in die tijd de reclameslogan 'links en toch leesbaar', en als ik me ter vergelijking de lange lappen tekst vol slecht verteerde feiten en insinuerende conclusies herinner die VN in die jaren als onthulling de wereld in slingerde, om van het kartonnen proza in De Groene maar te zwijgen, acht ik deze bewering niet te hoog gegrepen. Al was ik niet de enige lezer die zich met groeiende irritatie afvroeg waarom Nypels en Tamboer achter die Groenevelt aan bleven draven. Van de man zelf hebben we daarna nooit meer iets vernomen, en mèt de klassieke metaalindustrie raakte ook zijn bond in de versukkeling. In elk geval voor HP was het fenomeen Groenevelt blijkbaar een godsgeschenk.

Immers, ook commercieel ging het HP in die jaren bij uitzondering voor de wind, met een oplaag van rond de vijftigduizend exemplaren en een behoorlijke advertentiebezetting. Het weekblad was ondertussen na een hevig conflict met Bonaventura, dat tegen de zin van de redactie een nieuwe hoofdredacteur bij HP wilde parachuteren, uit de Elsevier-stal vertrokken. Het had onderdak gekregen bij Weekbladpers, uitgeefster van onder andere de concurrent Vrij Nederland. Maar in de jaren van voorspoed lag de kiem van de neergang al besloten.

Binnen de redactie had 'dat vakbondsgeschrijf' altijd al tegenstanders gehad in de componisten van 'het mooie verhaal'. De wrijving tussen de beide groeperingen werd in de loop van de jaren zeventig steeds groter. Ze werd verergerd door gezags-en competentietwisten nadat de redactie enthousiast was geraakt voor het tijdsverschijnsel 'democratisering'. Zo vermelden de auteurs hoe het schrappen van een lyrische ontboezeming in een stuk van Nypels en Tamboer over een 'wegwiekend koppel rotganzen' boven het kantoor van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds leidde tot een vergadering 'die acht uur in beslag neemt, inclusief heftige uitvallen en zelfs huilbuien'. Uiteindelijk bleek de inzet van het conflict niet het schrappen van de bewuste passage te zijn - daar was iedereen het over eens - maar de vraag wie had mogen schrappen.

GRACHTENGORDEL

Hier ligt een opmerkelijke parallel met Vrij Nederland, dat, tien jaar na het begin ervan bij HP, eveneens op zijn grondvesten schudde van de interne ruzies. Het is kennelijk erg moeilijk voor mensen die bij 'linkse' organisaties werken, uit respect voor het 'ideaal' hun gewone slechte eigenschappen in te tomen. Uit de botsing tussen pretenties en werkelijkheid ontstaat een kritische massa die verwoestender ontploft dan welke gewone kantoorintrige ook. 'Linkse lui hebben het kennelijk te druk met het verbeteren van de wereld om bij zichzelf te beginnen,' constateerde dezelfde Jansen van Galen in Het Parool van dinsdag 16 november in een heel ander verband. Het had in Rare jaren kunnen staan.

De rest van het verhaal is, zeker voor journalisten en de overige bevolking van de Amsterdamse grachtengordel, uitermate boeiend, maar wel snel samen te vatten. Op de ruzies volgden al dan niet vrijwillige ontslagen: verlies aan journalistieke kwaliteit; dalende oplaag; wanhopig zoeken naar nieuwe investeerders en nieuwe redactionele formules; onenigheid en wantrouwen tussen redacteuren onderling en tussen de redactie en de hoofdredactie (in de persoon van John Jansen van Galen) en tussen hoofdredactie en directie. Het voorlopig slot is bekend: het verdwijnen van de Haagse Post als zelfstandige titel en de fusie tot HP/De Tijd in 1990. Het oergegeven dat de Haagse Post nergens bij hoorde, en geen natuurlijke achterban bezat, is het blad ten slotte noodlottig geworden.

Hoewel 'de jaren van strijd en ondergang' zoals het laatste deel van het boek treffend is getiteld, even vlot is geschreven als de rest, hield ik er toch wat teleurstelling aan over. Blijkens het voorwoord is Jansen van Galen zich bewust van het probleem dat hij in dit deel tegelijk waarnemer en hoofdrolspeler is, en heeft hij resoluut voor de ik-vorm gekozen. Voor een onverhuld subjectieve benadering is veel te zeggen, maar dan wil de lezer ook onverbloemd subjectieve oordelen van de auteur over mensen en gebeurtenissen lezen. Dat doet Van Galen niet. Hij houdt zich erg op de vlakte, ook over zijn eigen gedrag. Zo gaat het op een gegeven moment opvallen dat in al zijn beschrijvingen van twisten en conflicten niemand ongelijk van hem krijgt. Een ferme mening over wat en wie dan ook heb ik nergens aangetroffen.

Nu is dit uiteraard geheel in de stijl van Van Oss, maar ik ben desondanks meer geneigd er het opspelen in te zien van de enige eigenschap die Van Galen van zichzelf noemt, namelijk zijn natuurlijke behoefte conflicten te ontlopen. Desondanks is Rare Jaren een boek 'met een aardigen inhoud' geworden.

pagina Z1 en Z2

    • Gerard Mulder